-
Toespraak van
minister Maxime Verhagen tijdens herdenkingsbijeenkomst bij het
Nationaal Indië-Monument
Dames en heren,
Dat ik vandaag namens het kabinet het woord tot u mag richten, is voor
mij een grote eer. We herdenken vandaag, net als voorgaande jaren,
meer dan zesduizend militairen die in de Oost zijn gesneuveld. Meer
dan zesduizend levens in de kiem gesmoord. Mannen en jongens in de
bloei van hun leven, vol plannen en verwachtingen voor de toekomst.
Zij lieten het leven in een land ver van huis. Hun vaders en moeders
zouden hen niet ouder zien worden. Hun vrouwen zouden hen niet
terugzien. Hun kinderen zouden hen niet kennen. Dat hoogste offer
verdient onze volle aandacht en ons diepe respect.
Aandacht en respect die in het verleden maar al te vaak ontbraken. Dat
kunnen we ons vandaag de dag nauwelijks voorstellen. Nu is er meer
waardering voor het werk van uitgezonden militairen. Er is meer begrip
voor wat er van hen gevraagd wordt. Ook de aandacht voor het werk en
de offers van veteranen groeit. Zo is er sinds vijf jaar een
jaarlijkse Veteranendag, op 29 juni, die bedoeld is als eerbetoon en
blijk van waardering voor alle Nederlandse veteranen. Daar ben ik blij
om. Die aandacht is terecht. Het is goed dat we onze militairen en
veteranen laten weten dat we trots zijn op hun inzet, dat zij een
onmisbare bijdrage leveren aan het tot stand brengen van een veiligere
en welvarendere wereld. Als minister weet ik: wij kunnen het
besluiten, maar zij voeren het uit. Dat vraagt heel wat van hen, van
hun familieleden, en van hun omgeving. Daarvoor mag Nederland dankbaar
zijn.
Voor u was er destijds weinig aandacht. Het respect dat u toekwam,
kreeg u niet. Er wachtte u na de oorlog geen warm welkom, althans,
vaak was dat niet het geval. In Nederland was iedereen bezig met de
wederopbouw en de verwerking van zijn eigen oorlogservaringen. Er was
geen begrip of belangstelling voor wat u had meegemaakt, in dat
opgegeven land daar zo ver weg. Woorden als nazorg en traumaverwerking
bestonden toen nog niet. Er was nauwelijks een luisterend oor. Van u
werd verwacht dat u zich schikte. Naar uw gezin, naar de samenleving,
naar de eisen die die tijd stelde. U moest vooral weer snel overgaan
tot de orde van de dag: er wachtten belangrijkere zaken. Als het al
over Indië ging, dan was het vaak in een negatief daglicht. U werd
bij wijze van spreken met de nek aangekeken – voor een keuze die de
Nederlandse regering had gemaakt, maar waarvoor u zich moest
verdedigen. De verantwoordelijkheid werd op het verkeerde bordje
gelegd: op uw bordje.
Vandaag eren we de nagedachtenis van de meer dan zesduizend soldaten
die naar Nederlands-Indië, en later Nieuw-Guinea, gingen en niet
terugkeerden. Hun namen mogen niet worden vergeten. Uw inspanningen en
offers mogen niet worden vergeten. Daarom sta ik hier vandaag. Om dat
te onderstrepen.
En daarom is het ook zo belangrijk dat er herdenkingen zijn als deze,
hier, op de plek waar voor velen de reis naar Indië begon. U heeft
enorm veel meegemaakt, onder omstandigheden waar de meeste mensen
vandaag de dag zich geen voorstelling van kunnen maken. Het doorgeven
van die verhalen is van onschatbare waarde. Alleen als u het ons
vertelt, kunnen wij het weten. Kunnen wij het begrijpen. Kunnen wij er
lering uit trekken. Dat zeg ik niet alleen als minister en als
historicus, maar ook als vader. Als ik kijk naar wat mijn kinderen op
school hebben geleerd over het Nederlandse verleden in Indië, dan
vind ik dat eigenlijk te weinig, te summier. Een paar koude feiten uit
de geschiedenisboeken. Verhalen zonder gezicht. Eigenlijk zou iedereen
verplicht een deeltje uit de reeks van Anton P. de Graaff moeten
lezen. Hij tekende heel veel persoonlijke geschiedenissen van Indië-gangers
op. Als je zijn boeken leest, begrijp je wel waarom soldaat Bob zegt:
“Het staat als met een stalen pin in mijn ziel gegrift.”
En zo, concludeert de Graaff, is het voor velen van u: u bent
levenslang op patrouille.
Indië zit voor altijd in u. Daar kunnen ook positieve kanten aan
zitten. Velen van u zullen, ondanks de verschrikkingen die u er heeft
meegemaakt, ook mooie herinneringen koesteren aan het land. Misschien
bent u er nog eens teruggeweest. Nam u uw partner en kinderen mee, om
hen de plaatsen van uw herinnering te laten zien en hen kennis te
laten maken met het land dat uw leven gekleurd heeft. Een land van
grote schoonheid, met typische geuren en kleuren, en een gastvrije
bevolking. Mijn vrouw, die haar vroege jeugd doorbracht in Indonesië
en ik, die het land inmiddels redelijk vaak bezocht, hebben het
tenminste altijd zo ervaren. En zelfs in dagboeken van soldaten kom je
fragmenten tegen over het hartelijke contact met de Indonesiërs.
Hetgeen uw missie waarschijnlijk nog moeilijker maakte.
Dames en heren,
In 2005 hebben Nederland en Indonesië gezamenlijk een streep gezet
onder de geschiedenis. De Nederlandse regering heeft toen spijt
betuigd voor de gewelddadigheden die van Nederlandse kant zijn begaan.
Die spijtbetuiging aan Indonesië en het respect voor u, veteranen,
zijn niet strijdig met elkaar. Ze gaan hand in hand. U deed uw plicht
in naam van het vaderland en werd meegesleurd op de golven van de
geschiedenis. Het was een heel andere tijd. Een tijd waarin Nederland
verwikkeld was in een grimmige strijd. Een tijd waarin Nederland en
Indonesië op een pijnlijke en gewelddadige manier uit elkaar gingen.
Daarbij zijn ook ontoelaatbare dingen gebeurd. En dat hebben we
erkend. Dit was een cruciale stap, die nodig was zodat Nederland en
Indonesië samen de blik konden richten op de toekomst.
Tegenwoordig hebben onze landen een brede relatie. Maar een speciale
band zal er altijd blijven. Tijdens mijn laatste bezoek aan Indonesië
afgelopen januari sprak ik met drie weduwen uit Rawagedeh. Drie
stokoude, breekbare mensjes, die alleen Soendanees spraken. Via een
tolk hoorde ik aan hoe zij de gebeurtenissen destijds beleefd hadden.
Ze vertelden over de verschrikkingen die zij hebben doorgemaakt, over
het verlies van hun dierbaren, over hun pijn. Ik vond het een moeilijk
gesprek. Veel moeilijker dan om tafel zitten met een buitenlandse
minister en een lastige boodschap brengen. Deze vrouwen antwoorden,
hen op een bepaalde manier troost bieden, dat vond ik van een andere
orde. Het gesprek raakte me dan ook diep. Ik besefte: de geschiedenis
heeft ons bij elkaar gebracht, en de manier waarop dat is gelopen,
zorgt dat er een eeuwige band is. Die verwevenheid is óók een
consequentie van het verleden dat we delen, van de strijd die geleverd
is. Nu die achter ons ligt, kunnen we uit die verwevenheid het
positieve putten. Samenwerken met Indonesië om de wereld van vandaag
een betere plaats te maken. Ik kan u zeggen dat de relatie tussen onze
twee landen zo goed is, dat we dat ook doen. Als vrienden, op voet van
gelijkheid en met respect voor elkaars achtergrond.
Dames en heren,
H.J. Leebeek schreef een aangrijpend gedicht over het gevoel dat veel
Indië-gangers hebben overgehouden aan hun uitzending. Het heet De
nevel doorbroken en ik zou er graag een aantal passages uit citeren:
(…)
Aan ons geen keus. Het was een plicht
die je volvoerde als een vent,
hoezeer je jeugd ook werd ontwricht.
Men rangschikt onze Indiëtijd
als een naoorlogs tafereel,
met af en toe wat narigheid
door wisselingen van toneel.
‘Het is geen oorlog’, werd gezegd,
‘die is toch immers al voorbij?’
Doch die ten grave zijn gelegd:
meer dan zesduizend?.... Zeg: weet jij
hun namen nog? Noem mij ze dan
en luid! Opdat de politiek
het nog eens duidlijk horen kan.
Na zestig jaar en en public!
Ieder trekt uit het gebeurde zijn eigen lessen. Het belangrijkste dat
ik geleerd heb, uit de gebeurtenissen rondom het ‘loslaten’ van
Nederlands-Indië, is dat mensen het kostbaarste materieel zijn dat we
bezitten. Daar moeten we zuinig mee omspringen. Veel zuiniger dan bij
u is gebeurd. In dat opzicht kan ik de soldaat en de dichter Leebeek
naar eer en geweten antwoorden: de politiek heeft uw oproep gehoord.
Het mag niet weer zo gebeuren.
Dank u wel.
Roermond
7 september 2009.
Ook
dit jaar is onder massale belangstelling de herdenking in Roermond
gehouden. Ook dit keer waren
de weergoden de vele aanwezigen gunstig gesteld. Regenjassen waren niet
nodig, paraplu tegen de felle zon weer wel. !!!
Een
flink aantal leden van 2-6RI was deze dag weer aanwezig. Hulde 2-6RI
want iedere herdenking weten we toch met een flink groot gezelschap het
veld te bezetten.
Allereerst
wil ik de dochters, van onze sobat Gerrit
de Groot, Anja en Jenny, weer
alle lof toejuichen want ook dit keer waren zij degene die vol ijver de
sobats van koffie, soep en broodjes voorzagen. Sobat de Groot komt
iedere keer met een steeds grotere delegatie, want nu had hij naast zijn
twee dochters Anja en Jenny ook nog zijn oudste zoon bij zich. Prachtig
wanneer je als vader op zo’n steun en belangstelling van je kinderen
mag rekenen.
Hulde
dus voor hen. Zo was er ook onze sobat Karel Eversen, die door zijn zoon
Theo naar Roermond werd begeleid. Ook Theo bedankt voor het meekomen met
zijn vader. Ine Luijks van Gils, samen met haar vader ook aanwezig.
Iedereen bedankt.
Zo
met ons Chrisje Kessels,die ieder jaar trouw weer het bordje met de
kapotte schoen meebrengt, Antoon
Mathiissen en partner, sobat Bart Poorte, de heer en mevrouw
van Haren uit Oosterhout, Menno v.d. Wetering, sobat v.d. Heuvel, de
klamboe sobat Smulders, ook heel erg leuk dat Maria Vullers ondanks dat
haar vader niet meer in ons midden is, ook naar Roermond was gekomen,
Frans Leijten kwam weer samen met Jan Verdonschot vanuit Nuenen,
Sjar en Jo Buijs, nog net in hun wittebroodsweken, Jo Princen, mochten
wij dit jaar weer trots zijn met zo’n fijne opkomst van 2-6RI.
Iedereen heel erg bedankt. Ik ben en blijf trots op jullie allemaal.
Zelf
wil ik iedereen aanwezig even bedanken voor het leuke welkom dat mijn
nieuwe partner Joop Pragt van jullie heeft mogen ontvangen. Ik hoorde
verschillende malen zeggen: “ Welke man? Wie? Oh die! Dat is Joop. Die
is van Marianne!
Mooier
kan je het niet hebben. Een nieuwe partner die door de manschappen van
2-6RI zo accepteert wordt.

-
|