-
- De reünie kan ik niet missen’
-
- Door
Peter de Leeuw
-
- Vrijdag
26 september 2003 - BREDA - Oude mannen zijn het nu, ongeveer honderd
in getal.
- In
1945 waren ze met 801, allemaal oorlogsvrijwilligers: 2-6
Regiment Infanterie dat in Nederlands-Indië slag leverde met de
nationalisten van Soekarno.
-
- Gerrit
van Gils, vijftien jaar geleden een van de initiatiefnemers van de
reunie, krijgt van Marianne de Jong een
-
speld,
plaquette en mascotte van de Tijgerbrigade. (Foto: Johan van
Gurp)
-
- Ze
namen dienst om tegen de Duitse bezetter te vechten, maar belandden in
Nederlands-Indië. Een
- aantal
van hen is afgelopen jaar overleden. Maar van de honderd
veteranen van 2-6 RI, onderdeel van
- de
Tijgerbrigade, hebben er gisteren 85 hun jaarlijkse reünie gehouden
op de Trip van Zoudtlandtkazerne in Breda. Uiteraard hebben ze daar
hun 24 in Indië gesneuvelde makkers herdacht, met de driekleur
halfstok, de Last Post en een minuut stilte. En met het leggen van een
krans.
Ook
hebben ze Gerrit van Gils (77) uit Breda in het zonnetje gezet, omdat
hij de reünie voor de zestiende keer organiseerde. Samen met vijf
anderen riep Van Gils de veteranen vijftien jaar geleden voor het
eerst weer bij elkaar. In de tien jaar daarvoor zat de reünie van 2-6
RI in het slop.
Elkaar ondersteunend hebben gisteren Menno van de Wetering (77) uit
Eindhoven en Nol de Bruijn (91) uit Oeffelt de krans gelegd bij het
draagbare monumentje ter herinnering aan hun gesneuvelde makkers. Eigenlijk
zou Van de Wetering de kranslegging verzorgen samen met een zoon van
Thee Buijs. „Jammer dat het niet is doorgegaan“, zegt Van de
Wetering.
Gedood door eigen vuur. ‘Friendly Fire’, noemen de Amerikanen het
op het ogenblik in Irak. Het gebeurt in alle oorlogen. Van de Wetering
schoot in 1947 Thee Buijs uit Nieuw-Vossemeer dood, die hij aanzag
voor een vijand. Dat Nederland in Indonesië een oorlog uitvocht is
wel zeker, al is het lang politionele actie genoemd. Aan Nederlandse
kant lieten 6.169 militairen het leven, aan Indonesische zijde een
veelvoud. „Vroeger heb ik de reünies gemeden. Ik dacht: je wordt
erop aangekeken. Sinds tien of twaalf jaar kom ik wel op de reünie“,
zegt Van de Wetering aan een tafeltje in de Trip van Zoudtlandtkazerne.
„Een half jaar geleden ben ik voor het eerst met de familie Buijs in
contact gekomen. Ik wilde het indertijd voor de Krijgsraad laten
komen, zodat voor iedereen duidelijk zou worden dat het een ongeluk
was. Van hogerhand werd me dat afgeraden, want dan zou de weduwe geen
pensioen ontvangen. Nooit, nooit, nooit meer heb ik er iets over
gehoord. Ze hebben me in een heel diep gat laten vallen.“
Van de Wetering heeft zich moeten laten behandelen voor de geestelijke
pijn die hij sinds 1947 lijdt. „De ontmoeting met de familie Buijs
heeft me geholpen. Niet dat ik het kwijt ben, maar het is wel een
verlichting voor me“, zegt Buijs, die afgelopen lente in deze krant
uitgebreider heeft verteld over zijn ervaringen.
Met het eerbetoon door zijn makkers, die hem een medaille schonken, is
Van Gils blij. „Het is elk jaar gezellig op de reünie. We zijn blij
dat we elkaar weer zien. Dat is mijn grootste voldoening“, aldus Van
Gils.
Van de Wetering zegt dat hij de reünies en herdenkingen niet meer kan
missen: „Omdat ik hier met mensen kan praten die hetzelfde hebben
meegemaakt als ik.“
|