zomaar wat herinneringen deel 6 mrt'47 - juni '47

 
De brigade is nu een jaar in Semarang,  een aanleiding om onze, schrik niet, 82 doden te herdenken op het militair kerkhof in Tjandi. Allemaal jonge mensen, sommigen getrouwd, de meeste ongetrouwd doch verloofd. Wat een berg ellende en leed gaat er achter zo’n getal schuil? Ik moet er niet aan denken en blij zijn dat ik er nog ben en dit jaar onbeschadigd heb kunnen overleven.
Generaal Spoor en kolonel van Langen hebben elk een dagorder uitgegeven waarin zij de gevallen jongens herdenken en ons loven voor de wijze waarop wij het afgelopen jaar onze taak hebben vervuld en oproepen onversaagd door te gaan "moedig en beheerst in trouwe aanhankelijkheid aan onze geëerbiedigde Koningin, in wier naam wij onze taak verrichten en wier Koninklijk woord een waarborg is dat wij den goeden strijd strijden", aldus generaal Spoor.
Toch hangt de laatste weken, ik zou bijna zeggen, een vreedzame ontspannen sfeer. De dienst moet uiteraard gewoon doorgaan maar is minder vermoeiend nu er een grote spanning is weggevallen. Hoogenraad en ik trekken veel met elkaar op, wandelen door de visvijvers, hier tambaks genoemd, bewonderen het ingenieuze irrigatiesysteem, trachten, zij het zonder succes, kreeften en krabben te verschalken en bezoeken kampongs, zoals vandaag Tapak, een kleine nog verwaarloosde kampong hoofdzakelijk bewoond door vissers. We troffen het, want een stel meisjes was juist aan het rijststampen met een ritme dat deed denken aan de Bolero van Ravel.
Op de terugweg zagen we nog een grote aap, blijkbaar verdwaald of uitgestoten door de groep waartoe hij behoorde.
De avonden vullen we met een bespreking, het luisteren naar de radio, lezen van brieven en kranten en debatteren over de vreemdste onderwerpen variërend van; de leer van Darwin, een stokpaardje van Sinke, tot de toren van Babylon in relatie tot de Egyptische piramides. Soms vullen we een gedeelte van de avond met het kijken en luisteren naar Hoogenraad als hij bezig is met zijn vlinderverzameling  en haarfijn uit de doeken doet hoe je nu een vlinder moet prepareren. Hier moet ik wel bij vermelden dat hij mij inmiddels ook zo gek heeft gekregen dat ik met een vlindernetje achter de vlinders aandraaf en hem al diverse malen mooie exemplaren heb bezorgd.
 
Vorige week hadden we de hoofdaalmoezenier op bezoek, deze week de hoofdpredikant. Hij wilde de protestantse jongens van de compagnie toespreken. Helaas hadden we die zo gauw niet bij de hand, reden waarom we maar wat katholieke jongens in de kantine installeerden. De predikant bracht de groeten over van alle protestantse kerken en vroeg of zij brieven van hun dominee’s kregen. Geheel overeenkomstig de waarheid werd op deze vraag ontkennend geantwoord. Onderwijl knepen wij hem omdat we vreesden dat de predikant psalmen zou gaan zingen, maar dat gebeurde gelukkig niet. Het gesprek verliep verder probleemloos en tot ieders tevredenheid, dit mede dankzij onze dominee die alles met een schijnheilig gezicht volgde, doch wijselijk zijn mond hield.
 
De dagen glijden rimpelloos door onze vingers en we hebben nu de tijd orde op zaken te stellen. Zo hebben we de hoofdweg naar de demarcatielijn vrijgemaakt van obstakels en tegelijkertijd laten onderzoeken op verborgen mijnen. Nu maar hopen dat ook het zijterrein mijnenvrij is. Dit mogen we wel aannemen, omdat b. v. de weggetjes naar de kampongs veelvuldig gebruikt worden, bovendien hebben Hoogenraad en ik met de jeep diverse kampongs bezocht en zijn niet in de lucht gevlogen. Mijnen hebben we dus niet kunnen ontdekken, wel prachtig houtsnijwerk. Ongelooflijk wat die mensen met hun primitieve middelen presteren. Nu moet gezegd worden dat de tijd daarbij geen rol speelt. Wat ze vandaag niet kunnen doen, doen ze morgen of overmorgen. De tijd kost hier nog geen geld.
Een van onze officieren is vandaag met de handschoen getrouwd en de bruidegom had ter gelegenheid daarvan een feestje gebouwd waarop ook Hoogenraad en ik waren uitgenodigd. Wat ons betreft was het geen succes, er werd veel te veel gedronken en wij zijn op een gegeven moment stiekem vertrokken. Van de aalmoezenier hoorde ik later dat men tot de kleine uurtjes was doorgegaan en men uiteindelijk was overgegaan tot het stuk smijten van het serviesgoed, het in een hoek deponeren van stoelen en ,last but not least; het leegschieten van een pistool. Laten we hopen dat zijn huwelijk beter zal slagen!
Nu ik het toch over de "Aal" heb, hij heeft inmiddels het ziekenbuis weer mogen verlaten en is weer in functie. Hij ziet er goed uit en is zelfs dikker geworden. Vanmorgen heeft hij bij ons de H. Mis opgedragen en is daarna wat bij ons blijven hangen. Hij klaagde over vervoersproblemen. In verband met de verspreide locaties van ons compagnieën acht hij het n.l. noodzakelijk over eigen vervoer te beschikken. De overste is echter een andere mening toegedaan en wil op grond daarvan zijn wens niet inwilligen. De "aal" heeft het nu "hogerop" gezocht, maar mijns inzien dient de Hoofd aalmoezenier te bewerkstelligen dat een jeep organiek in de sterkte wordt opgenomen, waarna de geestelijke verzorgers niet langer meer aan de willekeur van een bataljons commandant zijn overgeleverd.
 
De regen weet nog steeds van geen wijken en sommige tenten hebben daarvan dermate te lijden gehad dat ze vervangen moesten worden. De wegen in het kamp kunnen momenteel de regen goed verwerken, ook al omdat onze afwatering in orde is. Die moessons zijn een interessant natuurverschijnsel. Volgens mijn encyclopedie van Nederlands—Indië zijn het uit het noorden en zuiden komende luchtstromen, die door de wenteling van de aarde om haar as, N. 0. en Z 0. winden worden. In het jaargetijde waarin de zon zich boven het zuidelijk halfrond bevindt, ontstaat boven de Noord­ Australische woestijnen door de sterke verhitting een opwaartse luchtstroom waardoor op het Zuidelijk halfrond de Z. 0. passaat wordt verdrongen door de N W. moesson, terwijl de N. 0. passaat op het Noordelijk halfrond over de evenaar wordt gezogen en overgaat in de N. W. moesson.
Hetzelfde gebeurt op het vaste land van Azië tijdens de noord declinatie van de zon, waardoor de N. 0. passaat ten N. van de evenaar wordt verdrongen door de Z. W. moesson, een voortzetting van de L 0. passaat aan de andere van de equator.
We hebben dus beurtelings ten N. en ten Z. van de evenaar respectievelijk de Z. W. en Z 0. en de N. 0. en N. W. moesson.
De wisseling der moessons geschiedt in het algemeen in april en november, met een overgangstijdperk van enige maanden, de kentering geheten, zich kenmerkend door onbestendig en drukkend weer, vergezeld gaande van onweer.
Een voor mij ingewikkelde uiteenzetting, doch aan de band van een globe wel te volgen. Duidelijk is dat wij ons in de z.g. kentering bevinden en als bewijs moge dienen dat we gisteren te kampen hadden met een windboos, die rakelings langs ons kampement voorbij trok en verschillende bomen ontwortelde, zonder gelukkig persoonlijke schade te veroorzaken.
 
Ondertussen hebben wij een schrijven ontvangen waarin o. a. staat dat voor officieren van de 0. V. W. bataljons de mogelijkheid bestaat drie jaar bij te tekenen. Voor de nieuwe divisie schijnt er n.l. een schrijnend tekort aan kader te bestaan. De officieren die willen bijtekenen gaan terug naar Nederland en met verlof om vervolgens met een nieuw onderdeel naar Indië terug te keren. Gezinshereniging zou niet uitgesloten zijn. Het lijkt aanlokkelijk, maar ik denk niet dat ik me kandidaat stel, er zijn teveel onzekerheden en gevaren die niet gecompenseerd kunnen worden door de financiële voordelen. Bovendien rijst de vraag wat er in de praktijk van gezinshereniging terecht zal komen.
Ik zie dit wel aan bij de vaandrig die dan nog het voordeel heeft dat hij in de omgeving van de verblijfplaats van zijn vrouw gelegerd is. Ik dacht niet dat het mogelijk is in twee werelden te leven; wanneer je vrij bent huisvader en burger en als je dienst hebt patrouille— en pelotonscommandant met al de daaraan verbonden gevaren en problemen. Mogelijk komt het mede door dit dubbel leven dat de vaandrig door zijn onderofficieren wordt verweten dat hij totaal geen interesse heeft voor zijn mensen en zelfs nu nog hun namen niet kent Misschien ligt het echter gemakkelijker en simpeler als de wapenstilstand van kracht blijft, maar wie kan dat garanderen? Waarschijnlijk niemand, want weer komen steeds meer berichten binnen dat de vijand de wapenstilstand misbruikt door versperringen aan te leggen in de gedemobiliseerde zone, bruggen te ondermijnen of af te breken en spoorbanen te blokkeren. Bovendien worden er voortdurend vliegtuigbommen en mijnen aangevoerd en op allerlei plaatsen aangebracht en tracht men Semarang voor de bewoners van het achterliggende gebied hermetisch af te sluiten. Wat willen die lui feitelijk, zich gereedmaken voor de verdediging indien wij zouden willen uitbreken of alles in gereedheid brengen voor een aanval? Hoe het ook zij; onze tegenstander misbruikt het "cease—fire".
 
In Soerabaja hebben mariniers zelfs weer actie moeten voeren om de sawahs veilig te stellen. Onze tegenstanders wilden de rijstoogst n.l.. laten mislukken door de sawahs onder water te laten lopen. De actie was wel volledig geslaagd maar kostte niettemin, als ik de krant mag geloven, 5 doden en 17 gewonden.
De toestand blijft derhalve zeer onzeker, al moet ik toegeven dat ik mij momenteel niet bedreigd voel omdat de vijand zich aan ons front, zeker ogenschijnlijk, aan de wapenstilstand houdt.
Inmiddels hebben wij wel een ander systeem van patrouilleren ingevoerd. Vroeger deden we dat met een peloton, nu met een sectie. Iedere sectie loop twee kleine patrouilles in een strook van drie kilometer rond ons kampement Hierdoor bereiken we dat we van 's morgens zeven tot ‘s avonds tien uur troepen in het voorterrein hebben en verrassingen kunnen voorkomen. Niet dat we een aanval verwachten, maar je kunt nooit weten.
Ondertussen gaan wij ook door met het ontvangen van gasten en zelfs de resident, vergezeld van, laat ik het  zijn "huishoudster" noemen, is op bezoek geweest
Zo ook de kolonel met zijn echtgenote. Vandaag hadden we zelfs een groep van tien mensen op bezoek. Officieren van de staf van de T. Brigade met hun dames. Onze koks hadden voor lekkere hapjes gezorgd en alles verliep vlot en prettig.
 
Dinsdag 25 maart 1947;   Een belangrijke dag voor Nederland en Indië want vandaag werd het verdrag van Linggadjati ondertekend. Ter gelegenheid hiervan heeft generaal Spoor een dagorder het licht doen zien waarin hij o. a. het volgende schrijft:  “Met de ondertekening van de overeenkomst van Linggadjati door de Nederlandse en Indonesische delegaties, is een nieuw tijdperk ingeluid, zowel in de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden, als de historische ontwikkeling van deze gewesten. De hoop mag worden gekoesterd dat deze thans bezegelde grondslag zal leiden tot een oplossing van moeilijkheden en van geschillen, waarbij de rede het zal winnen van de hartstocht en het recht zal zegevieren over willekeur en terreur.“ Verder,  schrijft hij; " ik verwacht van U, dat gij den nieuwen tijd zult begrijpen en in dien geest Uw eervolle taak zult blijven vervullen. Ik eis van U, dat gij de naam van de Nederlandse Strijdkrachten hoog zult houden, onder alle omstandigheden .... En ik weet, dat ik hierin op U kan rekenen en vertrouwen".
Als je dat zo leest, dan kun je proeven dat generaal Spoor zijn woorden heeft zitten wikken en wegen en ergens niet gerust is op de toekomst. De tijd zal uitwijzen of hij gelijk krijgt of niet.
 
Wij hebben onze doden opnieuw herdacht, nu met een requiemmis opgedragen op ons militair kerkhof in Tjandi.
Het kerkhof heeft thans één groot wit kruis, geplaatst op een voetstuk, en vele witte kruisjes met daarop de namen en enkele gegevens van onze gesneuvelden. Bij iedere naam hoort een apart verhaal, waarvan echter de laatste bladzijde gelijkluidend is. Achter mij liep een vrouw die aan een ander vroeg:" waar ligt Willy ?" En soortgelijke vraag zal straks, als wij weer thuis zijn, ongetwijfeld ook aan ons gesteld worden en ik neem aan dat we dan zullen antwoorden:" Hij ligt begraven op het militair kerkhof tussen zijn kameraden. Zijn graf wordt goed verzorgd en er groeien zelfs bloemen op".
Ik heb nog even de graven van Sjaak Fick en Veldman bezocht en had het moeilijk. Sjaak zal voorgoed hier blijven, Ferd Nota gaat vervroegd naar huis.  
Vandaag, 27 Maart, hebben we hem op het vliegtuig gezet op weg naar Batavia en daarna per Kota Inten naar Nederland. Schrille tegenstelling. Voor Ferd echter prettig, al bevalt mij de toestand van zijn voet nog steeds niet. Hier scheen er echter niets meer aan te doen te zijn. Het is niet uitgesloten dat hij Piet Jansen aan boord ontmoet en ze gezamenlijk in Nederland zullen aankomen. Mooie tijd om thuis te arriveren.
Majoor Brok heeft vandaag een uiteenzetting gegeven over de taak van de sociale dienst van het ministerie van oorlog en de voorzieningen waarop wij, oorlogsvrijwilligers, zoal aanspraak kunnen maken bij demobilisatie. Ik kreeg de indruk dat onze opvang goed is verzorgd en zou best bij de sociale dienst willen gaan werken, maar vrees dat men in Nederland ons daartoe niet in de gelegenheid zal stellen.
Wij zijn ons ondertussen aan het voorbereiden op Pasen en vanmorgen, Witte Donderdag, waren we al vroeg uit de veren om in Semarang de plechtigheden te volgen. Zo’n rit in de vroege ochtend is best aan te bevelen.
Alles is nog wazig en versluierd en onderweg passeer je overal mensen die met hun waren op weg zijn naar de passar, allemaal als eenden achter elkaar sjokkend op het ritme van het doorbuigend juk. Ongelooflijk wat deze tengere mensen kunnen torsen en dat doen niet alleen de mannen maar ook jonge vrouwen. Nu zou je verwachten dat de vrouwen door dat gesjouw een plomp figuur zouden hebben, maar niets is minder waar en een hoop Europese vrouwen kunnen jaloers zijn op deze figuurtjes, ik heb me laten vertellen dat dit o. a. komt doordat ze zo stevig in hun lijfjes en meterslange sarongs ingepakt zitten. Helaas moet ik  er ook bij vertellen dat de vrouwen hier vroeg oud en lelijk worden. In de kerk was het vrij druk met burgers en hier en daar een militair. Goede Vrijdag: Sergeant de Vries heeft zijn gevoelens en gedachten over de dag weer verwoord in "De Tijger" en ik vind het hier passend zijn gedicht over te nemen.
 
GOEDE VRLJDAG
Jezus, als Gij had geleefd in deze tijd,
Dan had ik U verworpen vol woede en nijd,
‘k Had gespot met Uw liefde, gescholden Uw trouw
Die zich inliet met zondaars, met een overspelige vrouw.
 
Jezus, als Gij nu Uw wonderen had gedaan,
Had ik ongelovig op een afstand gestaan,
‘k Had listig Uw werk aan den duivel geweten,
En met stenen en vuil naar Uw hoofd gesmeten.
 
Jezus, als Gij had gezegd :" Ik ben het leven",
Dan had ik U aan Uw vijanden overgegeven.
Dan had ik U getrapt, gespuwd en geslagen,
En U het vloekhout der schande doen dragen.
 
Jezus, als Gij had gezegd: "Ik ben Gods Zoon",
Dan had ik U verguisd in smadende hoon.
Dan had ik gebrald met uitzinnige stem:
”Laat verraders ons los en kruisigt hem”
 
Totdat.... totdat Uw liefde mij had gevangen
En ik mijn leven der zonde aan het kruis had gehangen.
Dan werd het mijn vreugde voor Uw naam te lijden,
En Uw boodschap van vrede alom ter verbreiden.
 
Passend bij het lijdensverhaal van vandaag is ook het stukje dat majoor Brok heeft gepubliceerd over: Kinderen klagen aan ....
Hij schrijft: "Ik heb vanmorgen in kampong Djarkah twintig kinderen gezien, die in de loop van den ochtend over de demarcatielijn waren komen sluipen.Twintig kinderen, neen twintig uitgeteerde, uitgemergelde, verluisde, verziekte wezentjes met wilde ogen. Ik ben wee geworden van die hoofdjes, veel te groot thans voor de ineen geschrompelde lichamen en die ogen, die alleen maar schuwe angst en zorg uitdrukken. Twintig kinderen, die geen lach en geen spel meer kennen, maar alleen loeren en graaien naar iets, wat ze kunnen eten. Twintig kinderen, die als ze dit overleven, oude vrouwtjes, oude mannetjes zijn van te vroeg gedragen leed. Vandaag twintig, gisteren vijf, hoeveel morgen?
En of het verdrag van Linggadjati is getekend of niet; dit is een schande voor de Republiek, die zich zelfstandig en zelfbestuur bekwaam noemt en de kinderen laat verhongeren. temidden van overvloed".
Tot zover het stukje van majoor Brok. Harde feiten en dan zijn dit nog de gelukkigen die over de demarcatielijn zijn kunnen komen en waarschijnlijk wel gered kunnen worden. Wij treffen dit soort kinderen dikwijls bij onze prikkeldraadversperringen aan, bedelend om eten. Niet tevergeefs, want onze jongens zorgen voor hen en laten hen, wanneer ze daartoe weer in staat zijn, de tenten vegen, schoenen poetsen en allerlei lichte karweitjes opknappen.
 
Goede Vrijdag is "Zondagse dienst" met dien verstande dat de patrouilles en wachten gewoon moeten doorgaan maar wij wel in de gelegenheid waren naar de kerk te gaan en daar de Kruisweg te volgen. Onderwijl waren Hoogenraad en de vaandrig op jacht met de bedoeling een Paasmenu aan te vullen, echter zonder succes.
Paaszaterdag was o. a. een belangrijke dag voor Kees Leeuw. Hij is toen gedoopt in de paterskerk in Semarang, een sfeervolle kerk. Minder prettig was het bericht dat een van onze jongens kreeg;  zijn vader was n.l. overleden. Wij, en dan in het bijzonder de aalmoezenier, hebben getracht hem zo goed mogelijk te troosten.
 
De Paasdagen zijn weer achter de rug. Er valt niet veel over te schrijven of het zou moeten zijn dat het mij opgevallen is dat er zoveel jongens hun Pasen gehouden hebben. Er waren er zelfs bij die de laatste jaren de kerk uitsluitend aan de buitenkant hadden gezien. Waarschijnlijk neemt de een de ander mee maar het zou ook kunnen zijn dat het zich tastbaar bij de dood bevinden, van invloed is. Hoe het ook zij;  zo’n volle kerk met kerels doet prettig aan.
Direct na de mis dienden zich de eerste bezoekers aan en dit bleef voortduren tot ‘s avonds. Je kunt je afvragen wat ze bij ons hebben te zoeken. Ik denk dat het verveling is. Uiteindelijk zit men in Semarang opgesloten aangezien je aan de noordkant de zee hebt en aan de andere kant de extremisten, uitgezonderd de westzijde, ons front, waar je wat van het landelijke kunt genieten.
In Batavia en Bandoeng ligt dat wat anders omdat men daar een groter achterland heeft waarin je je betrekkelijk veilig kunt bewegen. Ook de Luitenant Quapp is de stad ontvlucht en verblijft bij ons om wat op verhaal te komen. Hij heeft een flinke snee over zijn achterhoofd en kampt met een oorperforatie. Ik ben benieuwd hoelang hij het hier uithoudt, zonder zijn ”vogeltje” (meisje ). Zij ontleent die naam aan het feit dat zij altijd opgewekt is, om alles kan lachen, niet onverdienstelijk zingt en toch de mannen op afstand weet te houden.
Dit laatste heeft ook Lou Bandy ondervonden, die haar een zoentje wilde afdwingen, doch de kous op de kop kreeg.
Ik kan me voorstellen dat Quapp zuinig op zijn" vogeltje" is. Ook onze dominee kwam opdraven, weer vergezeld van zijn vlindernetje. Zijn gedrag heeft een opmerkelijke verbetering ondergaan sedert hij op het matje geroepen is bij de brigadeveldprediker. Tussen de bedrijven door kregen we ook nog een inspectie van de overste. We maakten een goede beurt want het kamp was uitstekend in orde. Een rare vogel, die overste met zijn grote mond en onverzorgd tenue. Karakterologisch passen wij helemaal niet bij elkaar. Het vreemde is dat hij mij graag mag en dat ook herhaaldelijk laat blijken.
 
Vanmorgen las ik in de krant dat de heer de Boer, ex—commissaris—generaal, eervol is ontslagen en er aanwijzingen zijn dat de commissie overhoop ligt met generaal Spoor en Dr. van Mook. Wie het precies met wie oneens of eens is, weet ik niet, maar ik kan me zo voorstellen dat generaal Spoor een andere strategie in zijn hoofd heeft dan de andere heren. Wie kan overigens uitmaken wat de juiste weg is?
Alle Oosterse landen die door het Westen gekolonialiseerd worden zijn op drift en willen zich ontworstelen aan de overheersing Overal is er sprake van onrust, kijk maar naar Vietnam, Malakka en Brits-Indië. Om bij ons eigen Indië te blijven;  het is militair geen kunst om b. v. Java onder de voet te lopen. Maar wat daarna? Indië blijvend bezetten? Daar hebben we geen troepen en geen geld voor.
Nee, we hebben de tijd dat dit wel kon voorbij laten gaan, mogelijk onder druk van de Amerikanen en Engelsen.
We hebben bezoek gehad van majoor Rouffaert, commandant van het eskadron dat ons in moeilijke maanden rond eind 1946, terzijde heeft gestaan. Hij was in gezelschap van een collega, de majoor De Costa, en wilde het gevechtsterrein laten zien. Samen zijn we doorgereden tot aan de demarcatielijn.
Wat zijn er toch veel herinneringen aan ons voorterrein verbonden. Ieder boom, kromming in de weg. terreinplooi, sawahdijkje, heuveltje, kapotte brug en voetpad heeft een eigen geschiedenis om over de twee kerkhoven van waaruit we regelmatig onder vuur werden genomen, maar te zwijgen.. Gelukkig heeft de mens een groot incasseringsvermogen en onthoudt hij uiteindelijk alleen maar de mooie momenten. Hoogenraad heeft zich intussen ook onledig gehouden met een lezing over zijn Ambonezen, waarover hij het commando heeft gevoerd. Duidelijk is geworden dat zo’n commando geen sinecure is, want je hebt niet alleen met de mannen te doen maar ook met de vrouwen en kinderen. Ik zou Piters wel eens bezig willen zien!!!
 
Vandaag ben ik mee op patrouille geweest, niet als commandant, maar als een soort mentor. Voor half zeven zat ik al tot mijn knieën onder de modder en "baggerde voort". Van dat ploeteren wordt je verschrikkelijk moe. Beter ging het tijdens de wandeling door het Djati- bos dat in ons gebied is gelegen. Mooi om door zo’n loofbos te lopen. Djatihout is, dacht ik, zeer kostbaar, in ieder geval ontzettend hard. De vijand hebben we niet waargenomen, ook niet in de omgeving van de demarcatielijn, zodat we in een ontspannen sfeer de terugweg naar ons kamp konden aanvangen.
Die ontspannen sfeer werkt ook door op het moreel van onze compagnie. Je merkt dat aan de wijze waarop de jongens hun tuintjes verzorgen, zich fanatiek inzetten bij het volleyen en voetballen en opgaan in het vissen in de visvijvers.
Voor onze chronische malaria patiënten daagt er ook een oplossing Ze mogen n.l. voor herstel van gezondheid veertien dagen naar Bandoeng, waar het klimaat zich beter voor genezing leent.
We zijn derhalve op de goede weg waarbij de omstandigheid dat we met minder mensen patrouilleren en de Stoottroepen nogal eens bijspringen ongetwijfeld bijdraagt. Ondertussen verwaarlozen we de veiligheidsmaatregelen echter niet en vandaag hebben we b.v. onze stellingen kritisch in beschouwing genomen en twee uur lang de passar-gangers gecontroleerd.
Bovendien bewaakt de overste onze paraatheid door op alle ongelegen tijdstippen binnen te vallen. Ook vannacht was hij weer present. Hoogenraad en ik lagen reeds in bed en deden alsof we sliepen. We bereikten daardoor dat Sinke, die toch een nachtpatrouille had, als gastheer moest optreden.
De overste vertrouwde de situatie blijkbaar niet en controleerde zelfs of Hoogenraad wel in zijn bed lag. Rare kerel, al moet ik toegeven dat hij niet bang is en het lef heeft midden in de nacht en over niet bewaakte wegen, zijn buitenposten te bezoeken. Een pluspunt voor hem!
Een pluspunt was ook het optreden van het Regenboog Cabaret o.I..v. Willy van Hemert. Een goed en beschaafd gezelschap en het beste dat we tot op heden in onze kantine mochten ontvangen. Ze hebben in Semarang zo’n succes dat ze spontaan aangeboden hebben nog twee voorstellingen te geven.
 
Hoogenraad en ik zijn er eindelijk toe gekomen op visite te gaan bij onze buren n.l. de 4e compagnie, gelegerd in kampong Persilan. Hun kamp is, ik heb dit dacht ik al meer geschreven, minder schilderachtig gelegen dan het onze. Mogelijk mede daardoor wordt er minder aandacht besteed aan de inrichting. Met name het verblijf van de officieren zou met eenvoudige middelen veel sfeervoller kunnen worden ingericht. Waarschijnlijk heeft men daaraan minder behoefte aangezien de officieren de avonden liever in Semarang doorbrengen.
 
30 april 1947; Verjaardag van prinses Juliana, dus een grote parade op de Bodjong waaraan ook door enkele pelotons van onze compagnie werd deelgenomen. Om goed voor de dag te komen hadden we onze jeep blinkend laten poetsen en zelfs, per drietonner naar Semarang laten vervoeren. Daar deden zich echter problemen voor omdat we niet direct een geschikte losplaats konden vinden. Uiteindelijk vonden we een oplossing dit tot grote opluchting van Hoogenraad, die nog juist op tijd arriveerde om aan de parade te kunnen deelnemen. Zo’n parade is altijd een indrukwekkend vertoon, zeker als er vliegtuigen aan deelnemen.
De avond hebben Hoogenraad, Piters en ik, tussen de Ambonezen doorgebracht. Ik had een typisch Ambonees feestje verwacht maar dat viel tegen. De heren dronken een stevige borrel, de stemming was — zoals men dat pleegt te noemen — geanimeerd en de saté ongelooflijk "bedis" (heet). Tegen het einde werd een lied gezongen, waarna Hoogenraad, Piters en ik op de schouders werden genomen, niet omdat we dronken waren wat naar dat schijnt bij de traditie te behoren en in de jeep gezet. Toch wel leuk om zoiets meegemaakt te hebben.
 
Vandaag, 1 mei, heb ik voor het eerst een kolonie apen van dichtbij kunnen bewonderen. Zij waren blijkbaar afkomstig uit het Djatibos en trokken zich weer terug toen ze vonden dat wij hen al te dicht naderden. Stel je voor dat je tijdens een nachtpatrouille op zo’n kolonie stuit, wat een consternatie zou dat geven, want je kunt hier ‘s nachts niet onderscheiden of je met een mens of een dier te doen hebt.
Nu ik het toch over onderscheiden heb;  de vijand was paraat aan de demarcatielijn. De sterkte was niet vast te stellen, aangezien men zich verdekt had opgesteld. Problemen deden zich niet voor en wij zijn rustig doorgegaan met het controleren van de kampongwegen op hun berijdbaarheid. Dat kan wel eens nodig zijn om te weten.
Onze tegenstanders schijnen het onder elkaar niet eens te zijn want ik las dat er een nieuwe partij is opgericht, luisterend naar de naam "Pasoendan". Wat dat betekend weet ik niet, maar het is in ieder geval een Soendanese partij. De oprichting van zo’n partij is niet zo vreemd als je weet dat Java bevolkt wordt door drie groepen n.l. de Soendanezen (West—Java), de Javanen (midden Java) en de Madoerezen (Oost—Java) en deze bevolkingsgroepen elkaar het licht in de ogen niet gunnen. De "Pasoendan" schijnt niets met Soekarno en zijn kliek te maken te willen hebben en positief tegenover ons te staan en mee te willen werken aan de wederopbouw van Indië. De vraag rijst echter of deze partij voldoende tot ontplooiing kan komen
Met de sawahs ten N. W. van ons kamp is het droevig gesteld. Ze lagen, tot de wapenstilstand, in een soort niemandsland, konden daardoor niet worden bebouwd en zijn nu verwilderd. De bewoners van de nabij liggende kampongs zijn inmiddels wel begonnen met ze te bewerken, maar het gaat niet van harte. Gewoonlijk brengen ze er maar een paar uur per dag door en verdwijnen dan geruisloos in de visvijvers, waar ze zoveel vis kunnen vangen als ze willen. Vis die ze in Semarang duur kunnen verkopen.
Begrijpelijk, waarom zou je het moeilijk doen als het makkelijk kan, maar het gaat hier om sawahs met een oppervlakte van twee bij één km. en Semarang zit om rijst te springen. Helaas ligt hier geen taak voor ons, al heb je steeds de neiging je er mee te gaan bemoeien. Wat voor de sawahs geldt, geldt in feit ook voor de kampongs in de frontlinie.
We hebben ze van lieverlee zien verwoesten, vervuilen en verwilderen. Neem b. v. Mankang—Weten, oorspronkelijk een grote, mooie kampong met een stationnetje, moskee, passar en verschillende stenen huisjes, nu een kampong die een troosteloze, ontmoedigende indruk maakt. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat de verwoestingen grotendeels door ons zijn veroorzaakt, al heeft de vijand zich ook niet onbetuigd gelaten. Wij wisten dat de vijand zich schuil hield in de aanwezige stenen gebouwen, voor ons een reden om daarop en meerdere malen artillerie en mortiervuur te laten afgeven.
De levens van onze mensen zijn immers belangrijker dan een stenen gebouw, maar het blijft een trieste zaak.
 
Van het beeld van een verwoeste kampong heeft vandaag, 4 mei, ook generaal Kruls, chef—staf van de generale staf, kunnen genieten. Hij arriveerde rond een uur of vier in ons kamp in gezelschap van de kolonel, de overste en zijn adjudant. Na een rondleiding zijn we naar de demarcatielijn gereden, dit mede omdat het momenteel gebruikelijk is dat hooggeplaatste bezoekers ook even de demarcatielijn"doen". Laat de adjudant van de generaal nu een kennis van Hoogenraad zijn. Wat is de wereld toch klein. Overigens heeft Kruls vandaag geboft want bij een landing van zijn vliegtuig op het vliegveld van Semarang. schoot het te ver door en sloeg bijna over de kop.
5 mei 1947; Zondagse dienst. Na een korte herdenking van bevrijdingsdag hebben we volstrekte rust genomen en praktisch de gehele dag doorgebracht op het grasveldje achter ons huis, samen met het echtpaar van Duren dat op bezoek was. Soms, zeker op een dag als vandaag, benijd ik de mannen die hun vrouwen in Semarang hebben.
We zijn weer enkele dagen verder en hebben de aalmoezenier op bezoek. Hij heeft een lezing gegeven over het V.D. gevaar. Je kunt je natuurlijk afvragen of hij de daartoe aangewezen man is, maar hij had zich in dit probleem verdiept en wist er aardig wat over te vertellen. Het cijfermateriaal waarover hij beschikte was onrustbarend. Zo zou 60 % van de prostituees uit de kampongs in en rond Semarang aan een venerische ziekte lijden. Gevaarlijke "dames" voor de jongens individueel, maar ook voor onze sterkte in het algemeen. Ik dacht dan ook dat het goed was de jongens periodiek op de gevaren te wijzen.
Wij hebben zojuist een uitvoering van het "Verenigd Nederlands Studenten Toneel", een groep studenten die, na een repetitie van een maand of drie op de Academie voor Dramatische Kunst te Amsterdam, twee één acters kwamen opvoeren. Ze speelden niet onverdienstelijk en oogstten een welverdiend applaus. Na afloop hebben we het gezelschap een kopje koffie aangeboden, maar kregen geen kans om wat van gedachten te wisselen over de situatie in Nederland, omdat de overste ook aanwezig was en zich geroepen voelde uitvoerig uiteen te zetten wat hij zoal vond van Dr. van Mook, Amerika enz. Als hij zo bezig is, is hij niet te stoppen!!
Sedert Hoogenraad hier is, komt hij opvallend veel in ons kamp en dan meestal om te controleren of Hoogenraad het wel goed doet. Ik heb het al meer geschreven;  als het aan de overste had gelegen zou Hoogenraad nooit compagniescommandant geworden zijn.
Een paar dagen geleden heeft hij zelfs met de vaandrig een nachtpatrouille gelopen. Dat doet hij dan in een korte broek en met sandalen aan. Geen aan te bevelen kledij gezien het nachtelijke ongedierte en de doornige struiken waar je je doorheen moet worstelen.
 
Inmiddels heb ik een lezing bijgewoond over de ervaringen opgedaan door de Mariniers tijdens de opmars naar Modjekerto en dan speciaal op het gebied van mijnen en bommen. Onze tegenstanders maken n.l. gebruik van mijnen, soms zelfs van vliegtuigbommen variërend van 50 tot 500 kg. die ze ingraven in een weg of ophangen in een boom. Gewoonlijk gebeurt dat dermate primitief dat ze niet of niet op het juiste moment ontploffen, maar je moet er maar een treffen die per ongeluk wel op het juiste tijdstip tot ontploffing komt of wordt gebracht.
Een ander gevaar waar op gewezen werd, waren de Jappen die zich als instructeur onder de extremisten bevinden.
Dit zijn lieden die destijds niet capituleerden en zich aangesloten hebben bij de extremisten. Levensgevaarlijke kerels want ze worden door Japan aangemerkt als deserteurs en hebben daardoor hun "gezicht" verloren. Bij Morjekerto presteerden twee Jappen het met hun motor in volle vaart op een jeep in te rijden, waarbij ze werden neergeschoten, een soort harakiri dus.
 
Ondertussen wordt hier ook aan het voortbestaan van de Nederlandse natie gewerkt: de vrouw van de vaandrig is in verwachting, terwijl de vrouw van onze tolk, sergeant van Kempen, inmiddels  het leven heeft geschonken aan een welgeschapen zoon.
Wat ook normaal doorgaat, zijn de patrouilles, niet zo afmattend maar ze lijken zo doelloos waardoor de discipline en waakzaamheid verslapt. Ik heb dit vandaag zelf kunnen constateren. We zullen er iets aan moeten doen want ik zou niet graag zien dat we door onachtzaamheid brokken maken.
Na zo’n patrouille is het goed rusten, onderuit gezakt en op twee stoelen. Vandaag echter niet voor lang, want onze lichtmotor vloog in brand en ook het gebouwtje waarin hij was ondergebracht. We hebben getracht te redden wat er te redden was en dat was niet veel.
Gelukkig konden we voorkomen dat de in de nabijheid staande tenten in brand vlogen. Helaas liepen daarbij enkele jongens brandwonden op en moesten worden opgenomen in het ziekenhuis. De wonden vallen echter mee en over een paar dagen verwacht ik hen weer terug.
Uiteindelijk bleef de schade beperkt, ook al omdat we onmiddellijk een andere motor ter beschikking kregen.
Onze monteur heeft zich tijdens de brand dermate verdienstelijk gemaakt dat we hem tot korporaal hebben laten bevorderen. Hij zal derhalve prettige herinneringen overhouden.
De heer van Rijn, directeur Niwin, is momenteel in Semarang en heeft ook onze compagnie bezocht Hij vroeg o. a. hoe het met de welfare gesteld is. Een vraag waarop je veel en weinig kunt zeggen, maar in feite is het zo dat je kunt organiseren wat je wilt, maar dit niet optimaal overkomt omdat de jongens kotsmisselijk zijn van het verblijf in Semarang en de huidige situatie. Wij zijn hier immers gekomen om Indië te zien, maar zijn tot op heden niet verder gekomen dan een vergezicht vanaf de Gombel. Het lijkt allemaal zo doelloos en uitzichtloos.
Je kunt als welfare—officier proberen deze impasse te doorbreken met van alles en nog wat te organiseren maar dat zijn lapmiddelen. Er moet iets anders gebeuren n.l. ons aflossen en naar huis sturen of tot actie overgaan en Java bevrijden van Soekarno en zijn kliek. Dit laatste is echter een politiek niet haalbare zaak, terwijl aflossing voorlopig is uitgesloten omdat er geen andere troepen ter beschikking staan. Het zal dus bij lapmiddelen en schade beperkt moeten blijven, waarbij vooral een beroep op het kader gedaan zal moeten worden om de jongens toch zo goed mogelijk te motiveren en bezig te houden.
In dit verband is het vervroegen van de reveille — de bataljonscommandant heeft die verzet naar half zes — een grote miskleun te noemen. Het is rond die tijd nog pikdonker, je verlengt de dag onnodig en trommelt de jongens op een onzinnig tijdstip uit hun bedden. Bovendien komt er bij dat ze rond een uur of tien al rammelen van de honger. Dit laatste willen we dan wel ondervangen door een extra maaltijd in te lassen, maar feitelijk laat ons rantsoen dit niet toe. Er is dan ook besloten dat Hoogenraad bezwaar tegen deze regeling zal gaan aantekenen.
 
Pinksteren 1947 is weer achter de rug en de meeste katholieke jongens zijn te biechten en te communie geweest. Er waren dezer keer zelfs zoveel biechtelingen dat de mis later moest aanvangen. Overigens is het bijwonen van een mis op zulke dagen een gelegenheid bij uitstek om over thuis en de toekomst te denken. Je gedachten dwalen automatisch af waardoor je van de preek geen woord registreert en je maakt je wijs dat je de volgende kerkelijke feestdag weer thuis zult zijn.
Gelukkig had ik daarna geen gelegenheid om verder te piekeren want John Counet en Ben Bendik kwamen op bezoek, even later gevolgd door het gezin de Boer versterkt met twee schoonzusjes en een dokter met zijn vrouw.
Luitenant de Boer is een verwoed jager en kon ook nu de verleiding niet weerstaan op varkensjacht te gaan.
Met de jeep, bestuurd door het zestien jarig schoonzusje, is het gezelschap op pad getogen. Of ze iets geschoten hebben weet ik niet, want ik heb ze daarna niet meer gesproken.
2e Pinksterdag zijn wij gastheren geweest voor een pater met een heleboel Chinese weeskinderen. Die jongetjes hebben zich uitstekend geamuseerd en deden in niets onder voor westerse jongens van dezelfde leeftijd.
De pater bleek een innemend man en ex—officier te zijn. De mobilisatie had hij doorgebracht in .... Oosterhout!!
 
Dinsdag 27 mei;   De brigade heeft weer drie doden te betreuren, aangezien bij het ruimen van (eigen) landmijnen drie officieren om het leven kwamen. Een ervan ken ik vrij goed, het is majoor Burgers van de Stoottroepen. Toevallig was hij vorige week nog in ons kamp. Een flinke vent, die meerdere malen aan acties in onze sector heeft deelgenomen en bekend stond om zijn roekeloze moed. Wat er precies fout is gegaan is niet helemaal duidelijk. Het is echter aannemelijk dat een van de officieren op een landmijn heeft getrapt
 
29 mei 1947; Ik heb een malaria aanval en ben volledig uitgeteld ! Alles doet pijn, vooral mijn hoofd. De koorts beweegt zich rond de veertig graden en ik heb het gevoel of ik ieder moment kan ontploffen. Ik zweet verschrikkelijk, weet niet hoe ik moet gaan liggen en de uren kruipend tergend langzaam voorbij. Hoogenraad wilde me laten opnemen in het hospitaal, waar mijn broer Jan ook met een zware malaria aanval ligt, maar ik heb er de voorkeur aan gegeven om in ons kamp te blijven. Hoogenraad, de vaandrig en niet te vergeten, mijn oppasser, zorgen uitstekend voor mij en zien er nauwlettend op toe dat ik zes grote kininetabletten per dag slik.
 
31 mei;  Het gaat al iets beter en ik heb weer fatsoenlijk gegeten. Dat was nodig want ik heb de achterliggende dagen geleefd van enkele sneetjes brood, wat melk en pisangs.
 
1 juni; Het is zondagmiddag en ben even uit bed gekomen en heb geconstateerd dat ik ontzettend mager ben geworden. Eetlust ontbreekt en ik transpireer verschrikkelijk. Dit laatste komt ook omdat ik op bevel van Hoogenraad zijn kamerjas draag. Hij is n.l. bang dat ik kou vat. John Counet is op bezoek geweest en we hebben herinneringen opgehaald aan Morib-­Beach en de houding die de oudere officieren toen tegenover ons aannamen. John vertelde ook dat onze plaatsvervangend bataljonscommandant, majoor Schild, was overgeplaatst naar Bandoeng en daar het bevel over een bataljon had gekregen. Een mooie promotie, voor ons echter een verlies omdat hij een goed tegenwicht vormde voor de overste. Gisteren heeft hij een afscheidsfeestje gegeven, raakte zelf onder invloed en reed met zijn jeep hotel Bellevue binnen, na eerst tien treden overwonnen te hebben. Hij won daarmede een weddenschap en nam op waardige wijze afscheid van Semarang.
 
2 juni;  Ik denk morgen het bed weer te mogen verlaten en wat te kunnen wandelen. Ondertussen lees ik van alles wat er onder mijn ogen komt o. a. “De Linie” waarin ik las dat de communisten steeds meer invloed in Z.O. Europa kregen en b.v. in Griekenland de rebellen steunden.
 
4 juni 1947;   Vandaag drie jaar geleden ontmoette ik mijn vrouw voor de eerste keer en wel in De Biesbos. Waarschijnlijk omdat er intussen zoveel is gebeurd, lijkt dat ontzettend lang geleden. Om de herinnering aan deze dag levendig te houden heb ik haar een boeket bloemen laten bezorgen, tenminste als alles volgens plan is verlopen.
Ik loop weer wat rond, doch heb last van hartkloppingen, een aanleiding om de dokter, die toevallig in ons kamp moest zijn, te consulteren. Hij ken echter niets bijzonders ontdekken en schreef het toe aan bloedarmoede tengevolge van malaria. Ik slik nu staalpillen en medicijnen om de eetlust op te wekken. Je takelt wel af van zo’n aanval en dan te bedenken dat dit niet eens de ergste was.
Hoogenraad, die ook niet in een al te beste conditie is, heeft ondertussen niet stil gezeten en bij de bataljonscommandant kunnen bereiken dat de reveille naar half zeven wordt verzet. Goed werk. Nu kunnen de jongens weer een uur langer slapen en rusten. Piet Ham was ook nog even hier. Piet voelt zich nog steeds niet happy in zijn functie, bovendien bevalt de sfeer in het N. I. S.—gebouw hem niet. Van korpsgeest is er n. l. in het geheel geen sprake en de staf is uiteen gevallen in kleine groepjes, die onderling slecht of niet communiceren. Van de op Malakka gemaakte goede voornemens op dit punt is dan ook bitter weinig terecht gekomen. Feitelijk is dit geen verrassing, omdat een bataljon is samengesteld uit meerdere onderdelen en elk onderdeel zijn eigen voorgeschiedenis heeft, waardoor onderling nauwe bindingen zijn ontstaan.
 
De laatste dagen rapporteren onze patrouilles regelmatig dat er aan de andere kant van de demarcatielijn geschoten wordt Zouden ze aan het oefenen zijn of willen ze ons imponeren ? Misschien vervelen zij zich ook, al kan ik me een zinvoller tijdverdrijf voorstellen.
We hebben bij ons bataljon toch weer een dode te betreuren n.l. korporaal Swinkels. Hij is bij een val dermate ongelukkig terecht gekomen dat hij onmiddellijk dood was. Swinkels was pas 22 jaar en zal morgen worden begraven.
Ik ben nu weer zover hersteld dat ik dienst kan doen. Samen met Hoogenraad ben ik het voorterrein ingegaan om een brug, die door onze troepen hersteld was, te inspecteren. Ik las dat de communisten steeds meer invloed in Z. 0. Europa kregen en b. v. in Griekenland de rebellen steunden.
 
Deze brug was vandaag, 10 juni, het doelwit van een oefening. Vanmorgen raasde een peloton pantserwagens, gevolgd door, laat ik het een overvalcommando noemen, door ons kamp en werden er vier stukken artillerie opgesteld.
Nieuw bij de oefening was het in zetten van dit commando. Deze gemotoriseerde groep is opgeleid om nadat er een gat in de vijandelijke linie is geslagen, onmiddellijk achter de pantserwagens te opereren en vitale en/of strategische punten te bezetten.
 
11 juni 1947;   Mijn 27e verjaardag ! Toen ik vanmorgen wakker werd, hoorde ik iemand door mijn kamer sluipen. Ik deed of ik sliep tot die iemand vertrokken was, inspecteerde mijn kamer en ontdekte dat de foto van mijn vrouw omlijst was met bloemen. Daarna moest ik weer snel onder mijn klamboe want het ritueel herhaalde zich. Nu verscheen mijn oppasser en zette een boeket bloemen op de tafel en versierde mijn stoel.
Uiteindelijk vond ik de tijd aangebroken om officieel wakker te worden en alles te bewonderen, waarna ik gefeliciteerd werd door onze oppassers, Hoogenraad, de vaandrig en nog verschillende mensen van de compagnie. Je kunt natuurlijk stellen dat dit alles een kinderlijke vertoning was en dat zal ook wel, maar het ging om de intentie achter deze handelingen.
De grootste verrassing hield Hoogenraad tot de avond in petto. Toen overhandigde hij mij n.l. een grote, keurig ingelijste foto van mijn vrouw, voorzien van het opschrift Karanganjar 11 juni 1947. Een blijvende herinnering aan deze dag.
De avond hebben we met elkaar doorgebracht onder het genot van een wijntje. Een geslaagde dag ondanks het feit dat mijn vrouw niet lijfelijk aanwezig was.
 
Het is nu medio juni en onze vaandrig heeft de compagnie verlaten. Hij is, vrij plotseling, overgeplaatst naar de 2e compagnie. Hij is daar de oudste pelotonscommandant en je kunt de overplaatsing als een promotie beschouwen. Wij hebben officieel afscheid van hem genomen maar hij blijft in Semarang en wij zullen hem derhalve nog regelmatig ontmoeten.
Of er getreurd wordt bij zijn peloton, dient betwijfeld te worden aangezien de onderlinge verstandhouding niet altijd ideaal was. Zijn vertrek heeft wel tengevolge gehad — wij krijgen n.l. geen vervanger — dat ik het commando over zijn peloton erbij moest nemen. Niet zo’n bezwaar, want ik ken die jongens en zij kennen mij en we weten wat we wel en wat we niet aan elkaar hebben.
Met dat al wordt de sterkte van de compagnie steeds kleiner. Wij beschikken nog slechts over 114 man, waarvan gemiddeld 20 % niet of slechts gedeeltelijk inzetbaar is, dit laatste mede in verband met de vele gevallen van malaria recidive.
In de praktijk komt het er op neer dat de drie pelotons gezamenlijk slechts over 57 man beschikken die volledig inzetbaar zijn en de patrouilles en wachten voor hun rekening moeten nemen.
Het zal duidelijk zijn dat, ook al is het nu rustig in onze sector, er een onnoemelijke zware wissel op deze jongens getrokken wordt, waarbij het vervelende is, dat onze troepen in b.v. Batavia en Soerabaja het veel makkelijker hebben en o. a. gebruik kunnen maken van een aanvaardbare verlofregeling. Wij in Semarang behoren blijkbaar nog steeds tot een vergeten leger.
Ik moet er eerlijkheidshalve wel bij vertellen dat wij, de officieren, het lang zo zwaar niet hebben al heeft het vertrek van de vaandrig met zich gebracht dat ik weer mee patrouilleer en b. v. vandaag vijf uur in het terrein heb vertoefd en dat juist op het heetst van de dag Het is me niet meegevallen en na terugkeer was ik dan ook volledig uitgeteld.
Dat heeft me echter niet weerhouden ‘s avonds via onze radio te genieten van "Madame Butterfly" van Puccini, mijn lievelingscomponist en blijkbaar ook van de programma samenstellers want je hoort nogal eens gedeelten uit "Turandot", "La Bohème" of "Tosca".
 
Vanmorgen, 19 juni, hebben Hoogenraad en ik getracht de heuvels west van ons kampement, kaal te branden. Dat was nodig aangezien de alang—alang ongeveer tot borsthoogte stond en ons schootveld belemmerde. De kampong west van ons kampement wordt langzamerhand weer bevolkt. De bewoners waren aanvankelijk gevlucht naar Toegoredje, doch zijn nu aan het terugkeren. Randoegaroet — zo heet die kampong — is vervuild en gedeeltelijk verbrand, maar gelukkig stellen de mensen hier geen hoge eisen aan hun woning Vier muren van gevlochten bamboe en een dak van pisangbladeren en de familie is weer gehuisvest. Hoogenraad en ik zijn even in de kampong gaan kijken en kregen in de gauwigheid vier eieren toegestopt, ergens een ontroerend gebaar waaruit blijkt dat deze mensen ons zeer goed gezind zijn en ons inderdaad als beschermers en bevrijders beschouwen. Onze goede naam is blijkbaar ook doorgedrongen tot de bewoners van de kampongs aan de andere kant van de demarcatielijn want via smokkelaars hebben we vernomen dat zij reikhalzend naar onze komst uitzien.
Misschien komt het zover dat we ze komen bevrijden aangezien de politieke toestand momenteel dermate gespannen is dat je zou kunnen stellen dat het vijf voor twaalf is.
Mochten we tot actie overgaan dan walsen we er, naar mij mening, vlot doorheen, maar —ik heb dat al meer geschreven — wat daarna? Een guerrilla oorlog, waarbij wij alle vitale punten, werken. gebouwen etc., blijvend moeten bezetten ? En wat te denken van de ontzettend lange verbindingslijnen die je intact moet houden en regelmatig gesaboteerd zullen worden?
Ik merk dat ik weer aan het doordraven ben.
Misschien gebeurt er helemaal niets en zijn we voor het eind van het jaar weer thuis! Piters is, samen met een collega, enkele dagen onze gast geweest, waarbij het de bedoeling was dat hij enkele zwijntjes zou schieten. Dat is er echter niet van gekomen en hij is onverrichter zake naar Semarang teruggekeerd. We hebben veel gepraat, zelfs over de erfelijkheidsleer, een onderwerp dat vooral zijn collega bezighield. We kwamen er natuurlijk niet uit, maar het was wel, althans voor mij, zeer leerzaam.
Piters vertelde ook nog een mooi verhaal over zijn vroegere oppasser Kees Leeuw. Kees had stevige verkering en wilde met de handschoen trouwen, zijn meisje dacht er echter anders over. Nu is echter gebleken dat ze reeds Februari j.l.. getrouwd zijn, zonder dat zij het wisten. Zij blijken papieren getekend te hebben, zonder zich te realiseren wat zij tekenden. Prettige verrassing voor Kees, maar ook voor zijn vrouw?
 
24 juni; Vanmorgen werden we rond een uur of vijf gewekt door de...... bataljons commandant Even later rolden de pantserwagens door ons kamp en verdwenen in het voorterrein. Een uur later werd er alarm gegeven en kon de oefening beginnen, een oefening welke tot doel had ons kamp te veroveren. Om acht uur werd de aanval ingezet juist op het punt waar wij die verwachtten n.l.. vanuit het zuiden. De aanvallers hadden de pech dat onze stellingen juist daar uitstekend gesitueerd zijn op een vrij steile helling met een uitgelezen schootsveld. Ze liepen prompt vast op onze posities. Uiteindelijk werd aangenomen dat ons kamp veroverd was en even later denderden de pantserwagens weer door ons kamp om een aanval in te zetten op het volgende doel.
Na 500 meter stootten zij echter op onze PAG (Pantser—Afweer—Geschut) waarna Leiden in last was, aangezien de pantserwagens hier niet in het zijterrein kunnen opereren omdat het dermate geaccidenteerd is dat ze niet kunnen manoeuvreren. Conclusie van de oefening: Ons kamp is moeilijk te veroveren en de vijand kan, indien hij over anti—tankwapens beschikt, de opmars ernstig vertragen.
De oefening van gisteren was voor Hoogenraad en mij mede aanleiding de grote kaart van Java nog eens te bestuderen en bij te werken, waarbij wij schrokken van de troepenmacht die zich volgens onze inlichtingendienst, tegenover ons bevond.
De vijand is vrij slecht opgeleid en bewapend maar zeer actief en bezig met het bouwen van stellingen en versterkingen, het ondermijnen van wegen, bruggen en bruggetjes, waarbij vooral de grote postweg ook bekend als de Daendelsweg, de enige rechtstreekse verbinding tussen Semarang en Batavia, het moet ontgelden. Voorts hebben we geconstateerd dat steeds meer posten in de 2 km zone aanwezig zijn, wat een schending van de wapenstilstandsovereenkomst betekent.
Het is dan ook niet zo vreemd dat Hoogenraad en ik zoveel tijd uittrekken om de kaart van Java te bestuderen en samen allerlei acties te plannen, waarbij we ons bezig houden met opmarsroutes, zuiveringsacties en uitroeien van de vijand.
Dit laatste klinkt misschien hard maar het zal nodig zijn om Java weer te kunnen opbouwen en de orde te herstellen.
Diegenen die nog een sprankje hoop hadden dat het conflict op vreedzame wijze kan worden opgelost, kunnen vanaf vandaag die hoop laten varen, want Soekarno heeft Sjahrir tot aftreden gedwongen. Nu is het hek helemaal van de dam. Sjahrir was immers een van de weinige bonafide figuren in de republiek. Soekarno heeft nu zelf alle teugels in handen genomen. Wij voelen de spanning stijgen en het laat zich aanzien dat onze troepen binnen afzienbare tijd een enorme dreun zullen uitdelen, wat mij betreft;  liever vandaag dan morgen, al is het niet aannemelijk dat 6 R I. direct zal worden ingezet. Dit laatste valt af te leiden uit het gegeven dat wij praktisch al ons vervoer hebben moeten inleveren.
Soekarno vertrouwt de toestand ook niet en heeft zelfs via zijn zender bekend laten maken dat generaal Spoor maandag a.s. te 06.00 uur het bevel tot een aanval op alle fronten zal geven. Hij kan het weten!!
 
28 juni; Amerika heeft op het nippertje ingegrepen en aan Soekarno een memorandum gericht waarin hem vriendelijk doch dringend wordt verzocht de nota van onze commissie—generaal aan te nemen.
Het effect is niet uitgebleven en er is sprake van enige ontspanning. Sommigen hebben zelfs, zij het op bescheiden wijze, de verjaardag van Prins Bernhard gevierd.
Ondertussen gaat het normale leven gewoon door, zo werd ik vandaag geconfronteerd met huwelijksplannen van een van onze chauffeurs, een knaap van 22 jaar, die wil trouwen met een weduwe met drie kinderen waarvan de oudste reeds getrouwd is. Als je zoiets meemaakt, dan ga je bijna geloven dat die Indootjes inderdaad een bijzondere macht over die jongens van ons hebben, want hij is niet de enige die bij onze compagnie in zo’n situatie verkeert.
Een andere jongen wil n.l. trouwen met een weduwe met twee kinderen en heeft daarvoor zelfs zijn geloof opgeofferd. Wij, het kader, zijn niet voor dergelijke huwelijken, maar uiteindelijk moeten die jongens zelf beslissen, het gaat om hun leven en toekomst.
 
1 juli 1947;   Hoogenraad is bevorderd tot majoor, een mooie promotie die al lang in de lucht hing maar vertraagd werd door de problemen die zich destijds tussen hem en "Rooie Piet" hebben voorgedaan. Ook de vaandrig zit in de prijzen en is tweede luitenant geworden. Hij had, mede in verband met zijn leeftijd, op meer gerekend, maar dat zat er blijkbaar niet in. We hebben de bevorderingen op gepaste wijze gevierd, waarbij het opviel dat ook Piters en een afvaardiging van de Ambonezen acte de presence gaven.
Je zou verwachten dat het aantal zieken in deze spannende tijd toe zou nemen, niets is echter minder waar, want het percentage is teruggelopen tot veertien. Ik geloof dat ik hier ook wel een pluimpje op de hoed van de jongens mag steken over de wijze waarop ze de afgelopen dagen gereageerd hebben volkomen rustig en bereid om tot de aanval over te gaan.
Inmiddels is de nieuwe plaatsvervangende bataljonscommandant gearriveerd. Hij heeft vandaag kennis met ons gemaakt.. Het is majoor Koerselman en ik kan hem, na zo’n eerste contact nog niet inschatten, al lijkt het mij een type dat zeker niet bij onze overste past!
 
5 juli 1947. Vandaag zijn er van het Thuisfront Oosterhout pakketjes met schrijfbehoeften gearriveerd. Helaas is de helft beschadigd, sommigen zijn zelfs volledig geplunderd. teneinde een rechtvaardige verdeling te krijgen, hebben we de inhoud van alle pakketjes bij elkaar gedaan en onder de Oosterhoutse jongens verdeeld.
Ik zou de ellendelingen die de pakjes plunderden graag eens een keer aan de jongens willen overleveren. Helaas weten we niet wie het zijn. Het is echter aannemelijk dat het hier in een of andere haven gebeurd is.
De politieke hemel is nog steeds verduisterd en het regent memoranda, nota’s en aide— memoires. Ons front is rustig maar in Soerabaja schijnt regelmatig geschoten te worden. Wij zitten ook niet stil, patrouilleren intensief, vervolmaken onze stellingen, zuiveren het schootsveld en brengen boobytraps aan, een gevaarlijk karwei waarbij vooral Jan Rijpert uit Geertruidenberg goede diensten bewijst
Om de jongens wat afleiding te bezorgen, hebben we zelfs een dansavond georganiseerd. De meisjes waren gerekruteerd uit de" schonen" uit Semarang, versterkt met enkele verpleegsters. De dansvloer was geïmproviseerd uit tafelbladen die we met kaarsvet glad hadden gemaakt.
Naarmate de avond vorderde werd de stemming luchtiger doch, alhoewel sommige jongens een borreltje teveel op hadden, hield iedereen het netjes. Ook Hoogenraad en ik moesten onze danskunst tonen en het dient gezegd;  met succes.
 
7 juli; Vanmorgen hebben we Max Tailleur en zijn gezelschap op bezoek gehad. Onze kantine zat propvol. Het optreden viel zeer in de smaak bij de jongens en vooral Silvain Poons oogstte veel succes.
Vreugde en verdriet liggen in elkaar verlengde; toen ik vanmorgen van patrouille terugkeerde hoorde ik dat Dick Polak op sterven lag. Dick is pas negentien jaar en afkomstig uit Lage Zwaluwe. Hij heeft een operatie aan de dikke darm ondergaan, waarna complicaties zijn ontstaan.
In de loop van de dag bereikte ons het bericht dat hij, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen, was overleden.
Ik heb zijn begrafenis geleid en na afloop de aanwezigen, onder wie de kolonel en zijn staf, namens de familie Polak bedankt voor hun medeleven. Trieste dood, die nog triester wordt als je weet dat enkele dagen geleden de korporaal Beversluis, een familielid van de Polaks, ook is overleden.
29 mei 1947; Ik heb een malaria aanval en ben volledig uitgeteld ! Alles doet pijn, vooral mijn hoofd. De koorts beweegt zich rond de veertig graden en ik heb het gevoel of ik ieder moment kan ontploffen. Ik zweet verschrikkelijk, weet niet hoe ik moet gaan liggen en de uren kruipend tergend langzaam voorbij. Hoogenraad wilde me laten opnemen in het hospitaal, waar mijn broer Jan ook met een zware malaria aanval ligt, maar ik heb er de voorkeur aan gegeven om in ons kamp te blijven. Hoogenraad, de vaandrig en niet te vergeten, mijn oppasser, zorgen uitstekend voor mij en zien er nauwlettend op toe dat ik zes grote kininetabletten per dag slik.
 
31 mei;  Het gaat al iets beter en ik heb weer fatsoenlijk gegeten. Dat was nodig want ik heb de achterliggende dagen geleefd van enkele sneetjes brood, wat melk en pisangs.
 
1 juni; Het is zondagmiddag en ben even uit bed gekomen en heb geconstateerd dat ik ontzettend mager ben geworden. Eetlust ontbreekt en ik transpireer verschrikkelijk. Dit laatste komt ook omdat ik op bevel van Hoogenraad zijn kamerjas draag. Hij is n.l. bang dat ik kou vat.
John Counet is op bezoek geweest en we hebben herinneringen opgehaald aan Morib-­Beach en de houding die de oudere officieren toen tegenover ons aannamen.
John vertelde ook dat onze plaatsvervangend bataljonscommandant, majoor Schild, was overgeplaatst naar Bandoeng en daar het bevel over een bataljon had gekregen. Een mooie promotie, voor ons echter een verlies omdat hij een goed tegenwicht vormde voor de overste.
Gisteren heeft hij een afscheidsfeestje gegeven, raakte zelf onder invloed en reed met zijn jeep hotel Bellevue binnen, na eerst tien treden overwonnen te hebben. Hij won daarmede een weddenschap en nam op waardige wijze afscheid van Semarang.
 
2 juni;  Ik denk morgen het bed weer te mogen verlaten en wat te kunnen wandelen. Ondertussen lees ik van alles wat er onder mijn ogen komt o. a. “De Linie” waarin ik las dat de communisten steeds meer invloed in Z.O. Europa kregen en b.v. in Griekenland de rebellen steunden.
 
4 juni 1947;   Vandaag drie jaar geleden ontmoette ik mijn vrouw voor de eerste keer en wel in De Biesbos. Waarschijnlijk omdat er intussen zoveel is gebeurd, lijkt dat ontzettend lang geleden. Om de herinnering aan deze dag levendig te houden heb ik haar een boeket bloemen laten bezorgen, tenminste als alles volgens plan is verlopen.
Ik loop weer wat rond, doch heb last van hartkloppingen, een aanleiding om de dokter, die toevallig in ons kamp moest zijn, te consulteren. Hij ken echter niets bijzonders ontdekken en schreef het toe aan bloedarmoede tengevolge van malaria. Ik slik nu staalpillen en medicijnen om de eetlust op te wekken. Je takelt wel af van zo’n aanval en dan te bedenken dat dit niet eens de ergste was.
Hoogenraad, die ook niet in een al te beste conditie is, heeft ondertussen niet stil gezeten en bij de bataljonscommandant kunnen bereiken dat de reveille naar half zeven wordt verzet. Goed werk. Nu kunnen de jongens weer een uur langer slapen en rusten. Piet Ham was ook nog even hier. Piet voelt zich nog steeds niet happy in zijn functie, bovendien bevalt de sfeer in het N. I. S.—gebouw hem niet. Van korpsgeest is er n. l. in het geheel geen sprake en de staf is uiteen gevallen in kleine groepjes, die onderling slecht of niet communiceren. Van de op Malakka gemaakte goede voornemens op dit punt is dan ook bitter weinig terecht gekomen. Feitelijk is dit geen verrassing, omdat een bataljon is samengesteld uit meerdere onderdelen en elk onderdeel zijn eigen voorgeschiedenis heeft, waardoor onderling nauwe bindingen zijn ontstaan.
 
De laatste dagen rapporteren onze patrouilles regelmatig dat er aan de andere kant van de demarcatielijn geschoten wordt Zouden ze aan het oefenen zijn of willen ze ons imponeren ? Misschien vervelen zij zich ook, al kan ik me een zinvoller tijdverdrijf voorstellen.
We hebben bij ons bataljon toch weer een dode te betreuren n.l. korporaal Swinkels. Hij is bij een val dermate ongelukkig terecht gekomen dat hij onmiddellijk dood was. Swinkels was pas 22 jaar en zal morgen worden begraven.
Ik ben nu weer zover hersteld dat ik dienst kan doen. Samen met Hoogenraad ben ik het voorterrein ingegaan om een brug, die door onze troepen hersteld was, te inspecteren.
Ik las dat de communisten steeds meer invloed in Z. 0. Europa kregen en b. v. in Griekenland de rebellen steunden.
 
Deze brug was vandaag, 10 juni, het doelwit van een oefening. Vanmorgen raasde een peloton pantserwagens, gevolgd door, laat ik het een overvalcommando noemen, door ons kamp en werden er vier stukken artillerie opgesteld.
Nieuw bij de oefening was het in zetten van dit commando.
Deze gemotoriseerde groep is opgeleid om nadat er een gat in de vijandelijke linie is geslagen, onmiddellijk achter de pantserwagens te opereren en vitale en/of strategische punten te bezetten.
 
11 juni 1947;   Mijn 27e verjaardag ! Toen ik vanmorgen wakker werd, hoorde ik iemand door mijn kamer sluipen. Ik deed of ik sliep tot die iemand vertrokken was, inspecteerde mijn kamer en ontdekte dat de foto van mijn vrouw omlijst was met bloemen. Daarna moest ik weer snel onder mijn klamboe want het ritueel herhaalde zich. Nu verscheen mijn oppasser en zette een boeket bloemen op de tafel en versierde mijn stoel.
Uiteindelijk vond ik de tijd aangebroken om officieel wakker te worden en alles te bewonderen, waarna ik gefeliciteerd werd door onze oppassers, Hoogenraad, de vaandrig en nog verschillende mensen van de compagnie. Je kunt natuurlijk stellen dat dit alles een kinderlijke vertoning was en dat zal ook wel, maar het ging om de intentie achter deze handelingen.
De grootste verrassing hield Hoogenraad tot de avond in petto. Toen overhandigde hij mij n.l. een grote, keurig ingelijste foto van mijn vrouw, voorzien van het opschrift Karanganjar 11 juni 1947. Een blijvende herinnering aan deze dag.
De avond hebben we met elkaar doorgebracht onder het genot van een wijntje. Een geslaagde dag ondanks het feit dat mijn vrouw niet lijfelijk aanwezig was.
 
Het is nu medio juni en onze vaandrig heeft de compagnie verlaten. Hij is, vrij plotseling, overgeplaatst naar de 2e compagnie. Hij is daar de oudste pelotonscommandant en je kunt de overplaatsing als een promotie beschouwen. Wij hebben officieel afscheid van hem genomen maar hij blijft in Semarang en wij zullen hem derhalve nog regelmatig ontmoeten.
Of er getreurd wordt bij zijn peloton, dient betwijfeld te worden aangezien de onderlinge verstandhouding niet altijd ideaal was. Zijn vertrek heeft wel tengevolge gehad — wij krijgen n.l. geen vervanger — dat ik het commando over zijn peloton erbij moest nemen. Niet zo’n bezwaar, want ik ken die jongens en zij kennen mij en we weten wat we wel en wat we niet aan elkaar hebben.
Met dat al wordt de sterkte van de compagnie steeds kleiner. Wij beschikken nog slechts over 114 man, waarvan gemiddeld 20 % niet of slechts gedeeltelijk inzetbaar is, dit laatste mede in verband met de vele gevallen van malaria recidive.
In de praktijk komt het er op neer dat de drie pelotons gezamenlijk slechts over 57 man beschikken die volledig inzetbaar zijn en de patrouilles en wachten voor hun rekening moeten nemen.
Het zal duidelijk zijn dat, ook al is het nu rustig in onze sector, er een onnoemelijke zware wissel op deze jongens getrokken wordt, waarbij het vervelende is, dat onze troepen in b.v. Batavia en Soerabaja het veel makkelijker hebben en o. a. gebruik kunnen maken van een aanvaardbare verlofregeling. Wij in Semarang behoren blijkbaar nog steeds tot een vergeten leger.
Ik moet er eerlijkheidshalve wel bij vertellen dat wij, de officieren, het lang zo zwaar niet hebben al heeft het vertrek van de vaandrig met zich gebracht dat ik weer mee patrouilleer en b. v. vandaag vijf uur in het terrein heb vertoefd en dat juist op het heetst van de dag
Het is me niet meegevallen en na terugkeer was ik dan ook volledig uitgeteld.
Dat heeft me echter niet weerhouden ‘s avonds via onze radio te genieten van "Madame Butterfly" van Puccini, mijn lievelingscomponist en blijkbaar ook van de programma samenstellers want je hoort nogal eens gedeelten uit "Turandot", "La Bohème" of "Tosca".
 
Vanmorgen, 19 juni, hebben Hoogenraad en ik getracht de heuvels west van ons kampement, kaal te branden. Dat was nodig aangezien de alang—alang ongeveer tot borsthoogte stond en ons schootveld belemmerde.
De kampong west van ons kampement wordt langzamerhand weer bevolkt. De bewoners waren aanvankelijk gevlucht naar Toegoredje, doch zijn nu aan het terugkeren. Randoegaroet — zo heet die kampong — is vervuild en gedeeltelijk verbrand, maar gelukkig stellen de mensen hier geen hoge eisen aan hun woning Vier muren van gevlochten bamboe en een dak van pisangbladeren en de familie is weer gehuisvest.
Hoogenraad en ik zijn even in de kampong gaan kijken en kregen in de gauwigheid vier eieren toegestopt, ergens een ontroerend gebaar waaruit blijkt dat deze mensen ons zeer goed gezind zijn en ons inderdaad als beschermers en bevrijders beschouwen.
Onze goede naam is blijkbaar ook doorgedrongen tot de bewoners van de kampongs aan de andere kant van de demarcatielijn want via smokkelaars hebben we vernomen dat zij reikhalzend naar onze komst uitzien.
Misschien komt het zover dat we ze komen bevrijden aangezien de politieke toestand momenteel dermate gespannen is dat je zou kunnen stellen dat het vijf voor twaalf is.
Mochten we tot actie overgaan dan walsen we er, naar mij mening, vlot doorheen, maar —ik heb dat al meer geschreven — wat daarna? Een guerrilla oorlog, waarbij wij alle vitale punten, werken. gebouwen etc., blijvend moeten bezetten ? En wat te denken van de ontzettend lange verbindingslijnen die je intact moet houden en regelmatig gesaboteerd zullen worden?
Ik merk dat ik weer aan het doordraven ben.
Misschien gebeurt er helemaal niets en zijn we voor het eind van het jaar weer thuis! Piters is, samen met een collega, enkele dagen onze gast geweest, waarbij het de bedoeling was dat hij enkele zwijntjes zou schieten. Dat is er echter niet van gekomen en hij is onverrichter zake naar Semarang teruggekeerd. We hebben veel gepraat, zelfs over de erfelijkheidsleer, een onderwerp dat vooral zijn collega bezighield. We kwamen er natuurlijk niet uit, maar het was wel, althans voor mij, zeer leerzaam.
Piters vertelde ook nog een mooi verhaal over zijn vroegere oppasser Kees Leeuw. Kees had stevige verkering en wilde met de handschoen trouwen, zijn meisje dacht er echter anders over. Nu is echter gebleken dat ze reeds Februari j.l.. getrouwd zijn, zonder dat zij het wisten. Zij blijken papieren getekend te hebben, zonder zich te realiseren wat zij tekenden. Prettige verrassing voor Kees, maar ook voor zijn vrouw?
 
24 juni; Vanmorgen werden we rond een uur of vijf gewekt door de...... bataljons commandant Even later rolden de pantserwagens door ons kamp en verdwenen in het voorterrein. Een uur later werd er alarm gegeven en kon de oefening beginnen, een oefening welke tot doel had ons kamp te veroveren.
Om acht uur werd de aanval ingezet juist op het punt waar wij die verwachtten n.l.. vanuit het zuiden.
De aanvallers hadden de pech dat onze stellingen juist daar uitstekend gesitueerd zijn op een vrij steile helling met een uitgelezen schootsveld. Ze liepen prompt vast op onze posities.
Uiteindelijk werd aangenomen dat ons kamp veroverd was en even later denderden de pantserwagens weer door ons kamp om een aanval in te zetten op het volgende doel.
Na 500 meter stootten zij echter op onze PAG (Pantser—Afweer—Geschut) waarna Leiden in last was, aangezien de pantserwagens hier niet in het zijterrein kunnen opereren omdat het dermate geaccidenteerd is dat ze niet kunnen manoeuvreren.
Conclusie van de oefening: Ons kamp is moeilijk te veroveren en de vijand kan, indien hij over anti—tankwapens beschikt, de opmars ernstig vertragen.
De oefening van gisteren was voor Hoogenraad en mij mede aanleiding de grote kaart van Java nog eens te bestuderen en bij te werken, waarbij wij schrokken van de troepenmacht die zich volgens onze inlichtingendienst, tegenover ons bevond.
De vijand is vrij slecht opgeleid en bewapend maar zeer actief en bezig met het bouwen van stellingen en versterkingen, het ondermijnen van wegen, bruggen en bruggetjes, waarbij vooral de grote postweg ook bekend als de Daendelsweg, de enige rechtstreekse verbinding tussen Semarang en Batavia, het moet ontgelden. Voorts hebben we geconstateerd dat steeds meer posten in de 2 km zone aanwezig zijn, wat een schending van de wapenstilstandsovereenkomst betekent.
Het is dan ook niet zo vreemd dat Hoogenraad en ik zoveel tijd uittrekken om de kaart van Java te bestuderen en samen allerlei acties te plannen, waarbij we ons bezig houden met opmarsroutes, zuiveringsacties en uitroeien van de vijand.
Dit laatste klinkt misschien hard maar het zal nodig zijn om Java weer te kunnen opbouwen en de orde te herstellen.
Diegenen die nog een sprankje hoop hadden dat het conflict op vreedzame wijze kan worden opgelost, kunnen vanaf vandaag die hoop laten varen, want Soekarno heeft Sjahrir tot aftreden gedwongen. Nu is het hek helemaal van de dam. Sjahrir was immers een van de weinige bonafide figuren in de republiek. Soekarno heeft nu zelf alle teugels in handen genomen. Wij voelen de spanning stijgen en het laat zich aanzien dat onze troepen binnen afzienbare tijd een enorme dreun zullen uitdelen, wat mij betreft;  liever vandaag dan morgen, al is het niet aannemelijk dat 6 R I. direct zal worden ingezet. Dit laatste valt af te leiden uit het gegeven dat wij praktisch al ons vervoer hebben moeten inleveren.
Soekarno vertrouwt de toestand ook niet en heeft zelfs via zijn zender bekend laten maken dat generaal Spoor maandag a.s. te 06.00 uur het bevel tot een aanval op alle fronten zal geven. Hij kan het weten!!
 
28 juni; Amerika heeft op het nippertje ingegrepen en aan Soekarno een memorandum gericht waarin hem vriendelijk doch dringend wordt verzocht de nota van onze commissie—generaal aan te nemen.
Het effect is niet uitgebleven en er is sprake van enige ontspanning. Sommigen hebben zelfs, zij het op bescheiden wijze, de verjaardag van Prins Bernhard gevierd.
Ondertussen gaat het normale leven gewoon door, zo werd ik vandaag geconfronteerd met huwelijksplannen van een van onze chauffeurs, een knaap van 22 jaar, die wil trouwen met een weduwe met drie kinderen waarvan de oudste reeds getrouwd is.
Als je zoiets meemaakt, dan ga je bijna geloven dat die Indootjes inderdaad een bijzondere macht over die jongens van ons hebben, want hij is niet de enige die bij onze compagnie in zo’n situatie verkeert.
Een andere jongen wil n.l. trouwen met een weduwe met twee kinderen en heeft daarvoor zelfs zijn geloof opgeofferd. Wij, het kader, zijn niet voor dergelijke huwelijken, maar uiteindelijk moeten die jongens zelf beslissen, het gaat om hun leven en toekomst.