zomaar wat herinneringen deel 7 juli 47- nov'47 

1 juli 1947;   Hoogenraad is bevorderd tot majoor, een mooie promotie die al lang in de lucht hing maar vertraagd werd door de problemen die zich destijds tussen hem en "Rooie Piet" hebben voorgedaan. Ook de vaandrig zit in de prijzen en is tweede luitenant geworden. Hij had, mede in verband met zijn leeftijd, op meer gerekend, maar dat zat er blijkbaar niet in. We hebben de bevorderingen op gepaste wijze gevierd, waarbij het opviel dat ook Piters en een afvaardiging van de Ambonezen acte de presence gaven. Je zou verwachten dat het aantal zieken in deze spannende tijd toe zou nemen, niets is echter minder waar, want het percentage is teruggelopen tot veertien. Ik geloof dat ik hier ook wel een pluimpje op de hoed van de jongens mag steken over de wijze waarop ze de afgelopen dagen gereageerd hebben volkomen rustig en bereid om tot de aanval over te gaan. Inmiddels is de nieuwe plaatsvervangende bataljonscommandant gearriveerd. Hij heeft vandaag kennis met ons gemaakt.. Het is majoor Koerselman en ik kan hem, na zo’n eerste contact nog niet inschatten, al lijkt het mij een type dat zeker niet bij onze overste past!
 
5 juli 1947. Vandaag zijn er van het Thuisfront Oosterhout pakketjes met schrijfbehoeften gearriveerd. Helaas is de helft beschadigd, sommigen zijn zelfs volledig geplunderd. teneinde een rechtvaardige verdeling te krijgen, hebben we de inhoud van alle pakketjes bij elkaar gedaan en onder de Oosterhoutse jongens verdeeld. Ik zou de ellendelingen die de pakjes plunderden graag eens een keer aan de jongens willen overleveren. Helaas weten we niet wie het zijn. Het is echter aannemelijk dat het hier in een of andere haven gebeurd is.
De politieke hemel is nog steeds verduisterd en het regent memoranda, nota’s en aide— memoires. Ons front is rustig maar in Soerabaja schijnt regelmatig geschoten te worden. Wij zitten ook niet stil, patrouilleren intensief, vervolmaken onze stellingen, zuiveren het schootsveld en brengen boobytraps aan, een gevaarlijk karwei waarbij vooral Jan Rijpert uit Geertruidenberg goede diensten bewijst
Om de jongens wat afleiding te bezorgen, hebben we zelfs een dansavond georganiseerd. De meisjes waren gerekruteerd uit de" schonen" uit Semarang, versterkt met enkele verpleegsters. De dansvloer was geïmproviseerd uit tafelbladen die we met kaarsvet glad hadden gemaakt. Naarmate de avond vorderde werd de stemming luchtiger doch, alhoewel sommige jongens een borreltje teveel op hadden, hield iedereen het netjes. Ook Hoogenraad en ik moesten onze danskunst tonen en het dient gezegd;  met succes.
 
7 juli; Vanmorgen hebben we Max Tailleur en zijn gezelschap op bezoek gehad. Onze kantine zat propvol. Het optreden viel zeer in de smaak bij de jongens en vooral Silvain Poons oogstte veel succes.
Vreugde en verdriet liggen in elkaar verlengde; toen ik vanmorgen van patrouille terugkeerde hoorde ik dat Dick Polak op sterven lag. Dick is pas negentien jaar en afkomstig uit Lage Zwaluwe. Hij heeft een operatie aan de dikke darm ondergaan, waarna complicaties zijn ontstaan. In de loop van de dag bereikte ons het bericht dat hij, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen, was overleden. Ik heb zijn begrafenis geleid en na afloop de aanwezigen, onder wie de kolonel en zijn staf, namens de familie Polak bedankt voor hun medeleven. Trieste dood, die nog triester wordt als je weet dat enkele dagen geleden de korporaal Beversluis, een familielid van de Polaks, ook is overleden.
Het is inmiddels een jaar geleden dat Sjaak Fick en Veldman doodgeschoten werden. We hebben dit herdacht door bloemen op hun graven te leggen. Als je bij die graven staat, denk je dat het niet echt is maar een boze droom. De realiteit is echter dat er op ons kerkhof reeds negentig doden rusten.
Vannacht kwam een bewoner van de kampong Toegoredje in paniek ons kamp binnen rennen met de mededeling dat hij in de tambaks (visvijvers) plotseling omsingeld was door extremisten. Sinke vond aanleiding mij te raadplegen en aangezien wij dergelijke verhalen niet direct geloven, gaf ik hem in overweging de man eerst door onze tolk te laten ondervragen. Ik hield het bericht daarna voor gezien en dutte weer in. Niet voor lang echter want de Loerah van Toegoredje was ook in actie gekomen en had de overste laten inlichten. Laatstgenoemde gaf Sinke opdracht een peloton te laten uitrukken en verscheen zelf even later tot aan de tanden bewapend, in ons kamp. Onderwijl hadden wij de berichtgever nader aan de tand laten voelen en was gebleken dat hij het verhaal verzonnen had. De overste was echter niet te overtuigen en begaf zich met Hoogenraad naar Toegoredje waar ook hij geen opheldering kon krijgen. Waarschijnlijk heeft de visser doortrekkende smokkelaars voor extremisten aangezien.
Het einde van het verhaal kwam vanmorgen toen de overste opnieuw verscheen en zijn ontstemming kenbaar maakte door te stellen dat wij adequater op het bericht hadden moeten reageren in casu; onmiddellijk een peloton uitsturen!!!
Zondags blijft het bij ons de zoete inval en om half tien arriveerden de eerste gasten n.l. kapitein Filet met vrouw en kind, vergezeld van ene meneer Mulder met zijn Australische echtgenote, terwijl even later onze dominee met zijn vrouw onze woning betrad. In de loop van de morgen werd het gezelschap gecompleteerd door een mijnheer en mevrouw waarvan mij de naam ontschoten is. Hij was al wat ouder en bleek vroeger een vooraanstaande positie bij een suikeronderneming bekleed te hebben en kon daarover zeer onderhoudend vertellen. De consequentie van al die bezoeken is dat ze ons ook weer uitnodigen, iets waaraan ik sporadisch en Hoogenraad minimaal  gebruik maak.
Het is de laatste dagen onheilspellend rustig aan het politieke front en er broeit iets. Zo hoorde ik dat de extremisten rond Bandoeng plantages aan het vernietigen zijn, een indicatie dat ook zij verwachten dat de bom eerstdaags barst.
 
Vanmorgen 16 juli moesten de plaatsvervangend compagniescommandanten opdraven bij majoor Koerselman. Wij zijn n.l. ook veiligheidsofficier en van ons wordt verwacht dat we iedere week een z. g. stemmingsrapport produceren waarin o. a. vermeld dient te worden wat er bij de compagnie zoal leeft op het gebied van politiek., ontspanning, voeding enz. Een vervelende taak omdat je na enkele weken niet meer weet wat je moet rapporteren en in herhalingen dreigt te vallen. Na afloop van de bijeenkomst heb ik de aalmoezenier opgehaald waarna we een kampong gelegen in ons voorterrein bezochten. Hij wilde n.l. wel eens een karnpong in de frontlijn zien. Die kennismaking viel niet mee. Alles was verwaarloosd en wat erger was, we troffen er enkele vrouwen aan die zeer ernstig ziek waren. Voor de betreffende kampong is de gezondheidszorg opgedragen aan een Chinese arts maar die schiet blijkbaar in zijn taak tekort Wij zullen het signaleren, want dit kan zo niet.
 
Majoor Brok heeft vandaag, 18 juli, een uiteenzetting gegeven over "Linggadjati" en de ontwikkeling daarna.
Op zijn eigen, smeuïge, ontspannen manier — hij is niet voor niets Jan Tippel uit ons Tijgerblad — maakte hij ons duidelijk welke pogingen de Nederlandse regering heeft ondernomen om tot een vergelijk met de leiders van de "republiek" te komen en de redenen waarom de onderhandelingen zijn vastgelopen n.l. op het punt van de gezamenlijke gendarmerie.
.Je zou zo zeggen dat dit geen breekpunt behoefde te zijn maar het is dermate principieel dat de Nederlandse regering geen stap meer zal wijken.
Het is inmiddels een jaar geleden dat Sjaak Fick en Veldman doodgeschoten werden. We hebben dit herdacht door bloemen op hun graven te leggen. Als je bij die graven staat, denk je dat het niet echt is maar een boze droom. De realiteit is echter dat er op ons kerkhof reeds negentig doden rusten.
Vannacht kwam een bewoner van de kampong Toegoredje in paniek ons kamp binnen rennen met de mededeling dat hij in de tambaks (visvijvers) plotseling omsingeld was door extremisten.
Sinke vond aanleiding mij te raadplegen en aangezien wij dergelijke verhalen niet direct geloven, gaf ik hem in overweging de man eerst door onze tolk te laten ondervragen. Ik hield het bericht daarna voor gezien en dutte weer in. Niet voor lang echter want de Loerah van Toegoredje was ook in actie gekomen en had de overste laten inlichten. Laatstgenoemde gaf Sinke opdracht een peloton te laten uitrukken en verscheen zelf even later tot aan de tanden bewapend, in ons kamp. Onderwijl hadden wij de berichtgever nader aan de tand laten voelen en was gebleken dat hij het verhaal verzonnen had. De overste was echter niet te overtuigen en begaf zich met Hoogenraad naar Toegoredje waar ook hij geen opheldering kon krijgen. Waarschijnlijk heeft de visser doortrekkende smokkelaars voor extremisten aangezien.
Het einde van het verhaal kwam vanmorgen toen de overste opnieuw verscheen en zijn ontstemming kenbaar maakte door te stellen dat wij adequater op het bericht hadden moeten reageren in casu; onmiddellijk een peloton uitsturen!!!
Zondags blijft het bij ons de zoete inval en om half tien arriveerden de eerste gasten n.l. kapitein Filet met vrouw en kind, vergezeld van ene meneer Mulder met zijn Australische echtgenote, terwijl even later onze dominee met zijn vrouw onze woning betrad.
In de loop van de morgen werd het gezelschap gecompleteerd door een mijnheer en mevrouw waarvan mij de naam ontschoten is. Hij was al wat ouder en bleek vroeger een vooraanstaande positie bij een suikeronderneming bekleed te hebben en kon daarover zeer onderhoudend vertellen. De consequentie van al die bezoeken is dat ze ons ook weer uitnodigen, iets waaraan ik sporadisch en Hoogenraad minimaal  gebruik maak.
Het is de laatste dagen onheilspellend rustig aan het politieke front en er broeit iets. Zo hoorde ik dat de extremisten rond Bandoeng plantages aan het vernietigen zijn, een indicatie dat ook zij verwachten dat de bom eerstdaags barst.
19 juli 1947 ; Wij zijn geconsigneerd en derhalve weer even ver als toen Amerika ingreep. Deze keer wordt het echter menens. Ik ben momenteel absoluut niet vechtlustig maar het gaat zo niet langer.  Als je leest wat de republiek zoal over ons schrijft, dreig je te ontploffen en denk je onwillekeurig terug aan de smerige Duitse propaganda. Teneinde op alles voorbereid te zijn hebben we een sectie geïnstalleerd bij een bruggetje, zo n anderhalve kilometer in het voorterrein.
Na terugkeer hoorde ik dat Dr. Beel vannacht een toespraak zal houden. Het zal ongetwijfeld belangrijk zijn, maar ik blijf er niet voor op
1e politionele actie
Het is maandag 21 juli 1947 en vanmorgen zijn onze troepen in actie gekomen en hebben in Zuidelijke richting de demarcatielijn overschreden, nadat onze artillerie eerst een moordend vuur op de vijandelijke stellingen had afgegeven.
De opmars is volgens plan verlopen al werd veel hinder ondervonden van mijnen van allerlei makelij. In de loop van de dag hebben 1 R S. en  2 — 7 R I. Oengaran bezet, zonder dat daarbij slachtoffers zijn gevallen. De vijand bood opvallend weinig tegenstand. Onze troepen in Oost en West Java zijn ook in beweging gekomen. Nadere bijzonderheden ontbreken nog, al gaan er geruchten dat de mariniers Cheribon en Tjilitjap bezet hebben.
Bij ons aan het Westfront is alles rustig. Al onze zieken die opgenomen waren in het hospitaal en weer konden lopen en/of koortsvrij waren, hebben zich teruggemeld omdat ze er bij willen zijn als ook onze compagnie in actie moet komen.
Met zulke kerels kun je de hele wereld veroveren!!
 
22 juli 1947; Onze troepen rukken verder op en de brug over de kali Toentang kwam onbeschadigd in onze handen, zo ook de belangrijke elektrische centrale Djelok. Ook Ambarawa en Bedowo werden bezet. De stormtroepen bereikten zelfs Salatiga, doch moesten zich, overeenkomstig de instructies weer terugtrekken. Misschien een tactische fout want de T. N. I. maakte daarna een puinhoop van Salatiga en dreven duizenden Chinezen bijeen en voerde ze daarna in Zuidelijke richting af. Dat was voor de kolonel aanleiding 1 R S. op 23 juli alsnog opdracht te geven Salatiga te bezetten. Helaas was intussen de gehele winkelwijk afgebrand en waren rampokkers bezig hun slag te slaan, waaraan uiteraard onmiddellijk een eind werd gemaakt We mogen aannemen dat de Zuidelijke actie nu is afgerond en er troepen vrijkomen om het Oostfront aan te vallen.
De vijand heeft dit laatste niet afgewacht en is zelf tot de aanval overgegaan. Echter zonder succes aangezien het daar gelegerde inheemse bataljon de aanval uitstekend heeft opgevangen. Ook aan ons front zijn er vijandelijke activiteiten al bestaan die alleen maar uit het in brand steken van kampongs en het opblazen van de suikerfabriek in Kaliwoengoe.
Ondertussen begint de buitenlandse pers zich ook te roeren en maakt stemming tegen ons. Waar bemoeien die kerels zich mee? Laat ze eerst de situatie eens komen opnemen en daarna een standpunt bepalen. Deze oorlog kost slachtoffers, maar is de enige oplossing om er nog meer te voorkomen.
Vannacht om drie uur werd er alarm gegeven en mijn peloton moest zich tegen onze "knobbel" opwerken teneinde de stellingen te bezetten, geen pretje want het had de gehele nacht geregend. Het alarm duurde tot vijf uur, waarna we de jongens lieten inrukken. Later hoorden wij dat het Oostfront enkele kleine aanvallen  te verduren had gehad.
Aan dat front kunnen we nog meer problemen verwachten omdat de vijand daar zeer fanatiek is. Daar kunnen 2 — 7 R I. en 1 R S. over meepraten. Wij trouwens ook, denk maar aan de actie naar Demak, die wij vorig jaar, ik meen in juli, gevoerd hebben en waarbij aan onze zijde slachtoffers zijn gevallen.
Het staat nu wel vast dat we afscheid zullen moeten nemen van Karanganjar, de kampong waarvan ik niet eens de betekenis van de naam ken, maar die waarschijnlijk in mijn geheugen altijd geregistreerd zal blijven. Volgens geruchten zal onze compagnie de bezetting van Ambarawa overnemen. Als dat waar is boffen wij. Daar is immers fatsoenlijke legeringruimte, water en licht.
 
26 juli 1947; Ons Oostfront is in beweging en 1 R. S. heeft het plaatsje Mranggen bezet. Helaas zijn er drie doden te betreuren. Van lieverlee druppelen er nadere gegevens binnen over Salatiga. Als mijn informatie juist is, dan is er nogal wat buit gemaakt, variërend van een complete trein, tot berggeschut, pistolen en verdacht veel typemachines.
Laat onze troepen daar ook een stelletje nonnetjes aantreffen die gewoon met hun werk zijn doorgegaan en blijkbaar door de extremisten met rust werden gelaten. Bovendien kwam er ook een Nederlandse tandarts boven water, luisterend naar de naam Cohen.
 
Zondag 27 juli; 1 R S. heeft Demak bezet, een belangrijk knooppunt aan het Oostfront. Er zijn gelukkig geen doden.
Ondertussen rukken onze troepen vanuit Bandoeng gestaag op en zijn, volgens de laatste berichten, Tegal genaderd, zo’n 120 km. van Semarang. Als ze met dit tempo kunnen blijven doorstoten zijn ze midden deze week hier en is de weg naar Bandoeng en Batavia open!!
 
28 juli;  Vanmorgen is er een compagnie van 3 — 7 R I. gearriveerd om onze wachten over te nemen en ons in de gelegenheid te stellen zich gevechtsklaar te maken en Karanganjar te verlaten. Morgen gaan we in de aanval  
 
Dinsdag 29 juli; Vanmorgen zijn we met drie compagnieën van ons bataljon uitgerukt om het plaatsje Kaliwoengoe, gelegen op zo’n twintig kilometer van Semarang te veroveren.
Om half vier was het reveille en iedereen barstte van de zenuwen en kon niet eten, ik incluis !! Begrijpelijk want je weet niet wat er boven je hoofd hangt; morgen kun je wel begraven zijn. Bovendien ben je als commandant ook nog eens verantwoordelijk voor de mensen die aan je toevertrouwd zijn. Nadat de artillerie op en rond de demarcatielijn, ons visitekaartje had afgegeven kwamen wij, zo rond een uur of zes, in beweging Angst voor de vijand was er feitelijk niet, onze artillerie is immers zeer doeltreffend, maar des temeer voor mijnen. Veiligheidshalve vermeden we dan ook de hoofdweg en gingen door het terrein voorwaarts. Wel vermoeiend, maar minder riskant.
De opmars verliep zeer vlot en pas voor Kaliwoengoe kwamen we onder vijandelijk vuur te liggen, echter niet voor lang aangezien de vijand niet tegen onze vuurkracht was opgewassen en wijselijk de benen nam. Ook geweervuur vanuit een kampong N. 0. van onze opmarsroute werd spoedig door het peloton van Sinke tot zwijgen gebracht.
Rond twaalf uur passeerden wij Kaliwoengoe en rukten verder op richting Kendal. Zover zijn we echter niet gekomen omdat we overeenkomstig onze opdracht halverwege stelling moesten nemen, teneinde andere troepen in de gelegenheid te stellen zich in Kaliwoengoe in te richten.
Dit duurde ellendig lang omdat hun marsroute, de hoofdweg Semarang/Kaliwoengoe, eerst gezuiverd moest worden van mijnen en versperringen. Pas om acht uur konden we ons terugtrekken en op weg begeven naar Semarang. Aanvankelijk dacht ik dat er aan onze zijde geen slachtoffers te betreuren waren maar in Semarang hoorde ik dat een officier van de artillerie omgekomen was bij een botsing van zijn jeep tegen een carrier en enkele jongens verwondingen opgelopen hadden toe hun auto op een mijn reed.  
30 juli;  Nog vermoeid van de inspanningen van gisteren moesten we vandaag opnieuw in de slag, nu met de opdracht zover mogelijk in Zuidelijke richting door te stoten, teneinde onze pioniers in de gelegenheid te stellen de weg tot aan de driespong Oengaran/Bodja vrij maken.
We pasten dezelfde tactiek toe als gisteren, vermeden de hoofdweg en rukten door het terrein op, waarbij we echter door een verwilderde koffieplantage moesten. De begroeiing bleek dermate dat we genoodzaakt waren in colonne voorwaarts te gaan, zeer riskant want als je onder vuur komt kun je praktisch niet manoeuvreren.
Onderweg passeerden we goed onderhouden kampongs bewoond door vriendelijke mensen die ons bananen aanboden en blijkbaar een groot tekort aan textiel hadden. Van de vijand geen spoor te bekennen en om 16.00 uur konden we doorgeven dat de driesprong Oengaran/Bodja bereikt was en de brug die zich daar bevond waarschijnlijk ondermijnd was.
In de loop van de avond konden we onze posities overgeven aan andere troepen en  terugkeren naar Semarang.
Ondertussen hebben de Stoottroepen ook niet stil gezeten en de plaatsjes Midjen en Tjangkiran bezet. Of daarbij slachtoffers zijn gevallen weet ik nog niet.
Vrijdag 1 augustus;  Het oorspronkelijk plan volgens welk wij de bezetting van Ambarawa zouden overnemen, is gewijzigd. Vannacht kregen wij via een ordonnans opdracht te 09.00 uur in gevechtstenue klaar te staan, niet om weer actie te gaan voeren, maar de bewaking van het plaatsje Weleri op ons te nemen. Door allerlei omstandigheden keerde colonne eerst om 13.00 uur bij de Boeloebrug geformeerd worden.
Overigens een imposant gezicht al die drietonners, carriers en jeeps, zeker zestig in getal. passeerden ons Karanganjar en reden daarna richting Kaliwoengoe, waarbij we meer oog hadden op de omgeving dan enkele dagen geleden. Kaliwoengoe bleek weer aardig bedrijvig en de mensen die wij tegenkwamen groetten ons door het welbekende gebaar met de duim te maken. Van wie ze dat ze vlug overgenomen hebben, is mij niet duidelijk, maar ze deden het! De kampongs die wij daarna zagen maakten de goed verzorgde, welvarende indruk. zo ook de mooie groene sawahs.
Tegen 16.00 uur bereikten we Weleri, dat praktisch zonder slag of stoot door de T. N. I. prijsgegeven. Het vinden van passende legeringruimte bleek een probleem en we sloten ons voor de nacht te behelpen en morgen verder te zien.
 
Zaterdag 2 augustus;  Na zeer slecht geslapen te hebben, was het om zes uur weer reveille zijn Hoogenraad en ik op pad gegaan om wat huizen te "requireren". We kozen er drie en die hebben we nu met de compagnie in gebruik. Water moeten we nog steeds invoeren vanuit het station, licht hebben we inmiddels. We redden ons wel. Komen berichten door dat de opmars van de W-Brigade wordt vertraagd door versperde wegen en opgeblazen bruggen.
Minder vlot gaat het ook met onze 1e compagnie die Ambarawa bezet houdt. Het is daar een treffen met de vijand gekomen en de compagniescommandant, majoor Vaessen, is daarbij gewond geraakt.  Zou de tegenpartij zich aan het herstellen zijn?
Ondertussen is de Veiligheidsraad zich met de kwestie gaan bemoeien en is overeenkomen dat wij alle acties op 4 augustus a.s. te 24.00 uur zullen beëindigen. Een van de gevolgen daarvan was dat wij vanmorgen, 3 augustus, al heel vroeg in gevechtstenue klaar stonden om richting Pekalongan op te rukken om de verbinding met W—Brigade tot stand te brengen.
De opmars verliep aanvankelijk niet vlot aangezien zich al na enkele kilometers problemen voordeden in de vorm van een opgeblazen brug over de vrij brede kali. Op een geïmproviseerde loopbrug staken wij de kali over waarna het in een geforceerd tempo westwaarts ging
Een zeer vermoeiende bezigheid omdat de weg omhoog slingerde en versperd werd door allerlei hindernissen. De vijand liet zich niet zien, maar er vielen wel enkele schoten gericht op, wat later bleek, apen die zich hier overal in de Djatibossen ophielden en enige verwarring veroorzaakten.
Te 15.00 uur kwam het contact met de spits van de W-brigade tot stand in de kampong Soebah en was de overlandsverbinding tussen Semarang en Bandoeng een feit!!!!!!
Ondertussen had de genie met spontane hulp van de bevolking kans gezien de weg berijdbaar te maken, waardoor wij per trucks naar achteren konden worden afgevoerd. Aangezien we geen andere legeringruimte konden vinden waren we genoodzaakt op een passar te overnachten, zonder water en zonder licht of sanitaire voorzieningen. Dat kon ons echter niet deren, want na enkele posten te hebben uitgezet, gingen we op de grond liggen en vielen in slaap.  
4 augustus 1947;  Vanmorgen kregen we bericht dat we naar Semarang moesten terugkeren, doch deze opdracht werd even later herroepen en de bestemming werd Bringin, een plaatsje in de omgeving van Salatiga.
Vervuild en nog vermoeid zijn we op de trucks gestapt en via Weleri — Kaliwoengoe —Semarang bereikten we Oegaran, passeerden even later de Toentangbrug bogen in Oostelijke richting af en reden Bringin binnen. Totaal hadden we een kleine honderd vijftig kilometer afgelegd, voelden we ons nog viezer en smeriger dan 's morgens. We konden onze ogen niet openhouden van vermoeidheid en het stof en hadden baarden van een paar dagen oud. Tijd om ons te verzorgen en uit  te rusten hadden we echter niet, want het was inmiddels donker geworden en de auto’s moesten worden gelost, de verblijven ingericht en de koks aan het werk gezet.  
 
5 augustus 1947, 24.00 uur; De  eerste politionele actie behoort tot het verleden en kan, zeker voor de T—Brigade, een groot militair succes genoemd worden. Al de gestelde doelen werden binnen de vastgestelde tijd bereikt met slechts geringe verliezen aan onze zijde en. . . Semarang
 kan weer vrij ademhalen!!!!!!
Bringin- Wiroe
 
Bringin is een klein plaatsje ten N. 0. van Salatiga en momenteel grotendeels verlaten. Alleen tref je hier en daar nog wat Chinezen aan, die blijkbaar meer vertrouwen hebben in ons dan de rest van de bevolking.  Alles wijst op een overhaaste vlucht.
Bringin ligt aan een spoorlijn en beschikt zelfs over een stationnetje dat nu dient tot onderkomen van onze compagniesstaf en mijn peloton. Er is te weinig ruimte en we moeten ons derhalve behelpen. Zo moeten Hoogenraad en ik een klein kamertje delen. Water moeten we aanvoeren, maar er is hier op het stationnetje een pomp met een waterreservoir en onze monteurs zijn druk doende de pomp weer in bedrijf te krijgen en het reservoir schoon te maken. Elektrisch licht ontbreekt en we moeten ons redden met petroleumlampen. Ook dit probleem zal binnen een paar dagen opgelost zijn, aangezien ons een lichtaggregaat is toe bedacht. De andere pelotons zijn ongetwijfeld slechter gehuisvest en vooral dat van mijn broer Jan zal nog enkele dagen nodig hebben alvorens orde op zaken is gesteld.
Als ik zo terug denk aan de afgelopen dagen krijg ik een voldaan gevoel, zeker als ik in gedachten de trucks van de W—Brigade richting Semarang zie rijden en me realiseer dat dit waarschijnlijk niet mogelijk zou zijn geweest als wij niet zo snel opgerukt zouden zijn. Veel tijd om nabeschouwingen te houden hebben we echter niet want vannacht schrokken Hoogenraad en ik wakker van hevige knallen. Uit een verkenning bleek dat er brand was uitgebroken en de knallen veroorzaakt werden door bamboe. De stammen van bamboe zijn n.l. opgebouwd uit delen, te herkennen aan de ringen, die, in ons geval, door de hitte ontploften met een geluid als van een geweerschot. Dat weten we ook weer!
Wat we ook weten is dat we paraat moeten blijven aangezien het aannemelijk is dat de brand door de extremisten is aangestoken. De sectie 3 inch mortieren, die aan onze compagnie wordt toegevoegd, is dan ook een welkome aanvulling van onze vuurkracht.
 
Vrijdag, 8 augustus 1947; Laat op de avond werd Hoogenraad voor een bespreking met de bataljonsstaf naar Salatiga geroepen en ik besloot vroeg naar bed te gaan om wat bij te slapen. Dit was me echter niet gegund want rond half elf werd ik uit bed getrommeld in verband met een brand. Er bleek n.l. weer een woning aangestoken te zijn.
We hebben geblust wat er ter blussen viel maar konden uiteindelijk alleen voorkomen dat de brand oversloeg.
Nauwelijks terug van het blussen werd ik gebeld door de luitenant — adjudant, die mij mededeelde dat we ons gevechtsklaar moesten maken en op nadere orders wachten. Die nadere orders kwamen ‘s nachts om één uur toen Hoogenraad uit Salatiga terug— keerde met het bericht dat wij niet aan de geplande actie behoefden deel te nemen. Een meevaller en voor mij aanleiding opnieuw mijn bed op te zoeken. Lang heb ik echter niet kunnen slapen aangezien het om zes uur reveille was en Hoogenraad met een peloton moest uitrukken met de opdracht de toestand van bruggen en wegen in ons gebied te controleren. Hij kweet zich voortvarend van zijn taak en was om acht uur weer terug. Slechts één brug bleek opgeblazen, maar is in de onmiddellijke nabijheid van een houtopslagplaats gelegen en derhalve makkelijk te repareren.
In de loop van de voormiddag kwam de overste op bezoek en wilde zich op de hoogte stellen van het verloop van een actie die een van onze compagnieën in oostelijke richting aan het uitvoeren was. Aangezien hij volkomen onbekend was in ons gebied zijn we samen polshoogte gaan nemen. Eerst per jeep, daarna te voet omdat de wegen versperd waren.
Langzamerhand dringen meer bijzonderheden door over de door onze troepen veroverde gebieden. Zo zouden de mariniers enkele plaatsen aan de Zuidkust van Java bezet hebben.
Een bevestiging daarvan kon ik echter niet krijgen, ook niet van Hofwijk, een journalist van De Maasbode, die ik toevallig tegen het lijf liep.
Wel staat vast dat 1 R S. Gedoengdjati hebben veroverd, waardoor de spoorlijn Ambarawa — Bringing — Gedoendjati — Mrangen — Semarang onder onze controle staat. Al die bijzonderheden komen met flarden binnen en je krijgt de indruk dat ze in Nederland ter zake waarschijnlijk beter geïnformeerd zijn dan wij!
Terwijl ik zit te schrijven heb ik vanaf ons stationnetje, dat wat hoger is gelegen dan de omgeving, een prachtig uitzicht over de sawahs en heuvels ten zuiden van onze positie. Bovendien kan ik luisteren naar Benjamino Gigli. We hebben n.l. een grammofoon met enkele populaire platen op de kop getikt. Het lijkt allemaal vredig, maar het is het niet. De extremisten gaan onverstoord door met het in brand steken van huizen. Wat ze daarmee willen bereiken is mij niet duidelijk. Ze treffen immers hun eigen mensen. Die eigen mensen zijn nog niet in hun kampongs teruggekeerd.
Twee uitgezonden patrouilles hebben gemeld dat praktisch alle kampongs in ons gebied verlaten zijn en dat de enkele achterblijvers die ze aantroffen weinig enthousiast reageerden en blijkbaar bang waren. Wat zouden ze deze mensen over ons hebben wijsgemaakt?
 
Maandag 11 augustus 1947;  Naar aanleiding van de brandstichtingen van de laatste dagen, zo is er weer een grote kapokopslagplaats in vlammen opgegaan, hebben we vandaag een compagniesactie uitgevoerd. Volgens onze informaties moesten de daders zich schuilhouden in een bepaalde kampong, een reden om de kampong af te grendelen en te doorzoeken.
Ik had de opdracht me met carriers zo snel mogelijk in oostelijke richting te verplaatsen, daarna af te buigen en de oostzijde van de kampong af te sluiten. Aanvankelijk verliep alles volgens plan maar toen het terrein te sterk geaccidenteerd werd waren onze carriers uitgeschakeld en moesten we te voet verder. Dit laatste bleek een zeer inspannende bezigheid maar had het voordeel dat we ondertussen konden genieten van een onvoorstelbaar mooi panorama dat wij konden bewonderen vanaf een heuvelrug Ongelooflijk, die sawahs, die kleurschakering en die rivier die zich daar tussendoor slingert We waren echter niet op pad om van de natuur te genieten maar op het juiste tijdstip en de aangegeven plaats positie te kiezen aan de rand van de kampong. Dit lukte dankzij beter kaartleeswerk en mijn richtingsgevoel.
Ook de andere pelotons arriveerden op tijd waarna we de kampong grondig doorzochten en verschillende verdachte personen, zoals men dat noemt, aanhielden en voor verhoor meenamen naar onze tolk, sergeant van Kempen.
Wij nemen aan dat de brandstichters onder vrij jeugdige knapen gezocht moeten worden, aangezien in dit gebied een fanatieke jeugdorganisatie werkzaam moet zijn.
In de loop van de avond kwam het bericht door dat luitenant Warmer ( onze vaandrig) de volgende dag beëdigd zou worden en of ik hem tijdens de plechtigheid naar de overste wilde begeleiden. Geen baantje voor mij maar ik kon er niet onderuit.  
 
12 augustus; Vanmorgen was ik vroeg op pad, richting Salatiga. Onderweg pikte ik Warmer op en gezamenlijk zijn we heel kalmpjes naar onze bestemming gereden. Dat ”ka1mpjes” had twee oorzaken;  we waren n.l. te vroeg en wilden bovendien van de omgeving genieten.
We hebben inderdaad genoten. Vanaf de weg naar Salatiga heb je een prachtig uitzicht. Aan de westkant kijk je in de diepte naar het meer van Ambarawa en kun je de witte gebouwen van Ambarawa onderscheiden, waarbij het geheel wordt omlijst door een hoge steile berggordel.
Salatiga is een vrij bekend plaatsje met een behoorlijk klimaat en vrij veel stenen gebouwen. Helaas heeft de vijand de Chinese wijk verwoest.
De beëdiging van Warmer was stijlvol en ook de kolonel gaf acte de presente. Na afloop zijn we bij de overste een borrel gaan drinken. Onder de aanwezigen trof ik ook onze dominee aan, een man die ik tijdens de acties gemist heb. Hij heeft echter een excuus want hij is ook veldprediker bij 13 R 1. en kon derhalve zelf bepalen bij welk onderdeel zijn veiligheid het minst in gevaar was.
Ook Salatiga kampt met brandstichters en het is zelfs zo dat je veiligheid alleen in het centrum gegarandeerd wordt.
Er opereren in dit gebied n.l. vrij veel "illegale werkers", woorden die associaties oproepen aan onze bezettingstijd. De vraag is hier alleen of de illegaliteit wel voor een goede zaak vecht.
Indië heeft te zijner tijd ongetwijfeld het recht om zelfstandig te worden, maar de tijd is er nog niet rijp voor zeker niet onder deze leiders, waarbij ik speciaal denk aan de collaborateur Soekarno. Ik kan me echter voorstellen dat de binnenlanden daar anders over denken, aangezien je veel kunt beïnvloeden door eenzijdige propaganda.
Rond twaalf uur waren we weer terug in Bringin, waar een van onze patrouilles in een kampong een man had ontdekt die vloeiend Nederlands sprak en vroeger in Solo een vooraanstaande positie bekleed had. Aan hem kunnen we misschien iets hebben omdat hij ongetwijfeld grote invloed op de bevolking heeft.
Nu ik het toch over de bevolking heb; de W—Brigade schijnt nogal huis gehouden te hebben onder de Chinezen die zij van zwarte handel verdachten. Dit is de Chinezen blijkbaar in het verkeerde keelgat geschoten want ze schijnen een soort staking gehouden te hebben. Ik dacht dat wij bij de T—Brigade zulke aangelegenheden delicater behandelden!  
13 augustus; Vanmorgen heeft de kolonel beslist dat we weer gaan verhuizen, nu naar een rubberfabriek enkele kilometers van hier. Twee pelotons en de staf worden samengetrokken bij de onderneming. één peloton, dat van mijn broer Jan, blijft het stationnetje bezetten. Aanvankelijk was mij dat toebedeeld maar mijn functie van plaatsvervangend compag— niescommandant brengt met zich mee dat ik in de buurt van Hoogenraad vertoef.
Hoogenraad en ik zijn onmiddellijk de situatie gaan verkennen. Dat viel alles mee, er is voldoende ruimte voor de jongens en zeker voor ons. Wij krijgen in de administrateurwoning zelfs een badkamer ter beschikking, tenminste als die weer bruikbaar te maken is. De fabriek, die op 500 meter van onze villa is gelegen, is grotendeels verwoest en alleen enkele drooghallen staan nog overeind.
De elektrische installatie bleek nog intact en wordt aangedreven door water uit een snel stromende kali met een groot verval.
Dat deze kali van levensbelang is voor de onderneming weet de vijand blijkbaar ook want toen Hoogenraad en ik vanmiddag nog eens op inspectie gingen, bleken enkele dijkjes doorgestoken te zijn. Voor ons aanleiding een peloton opdracht te geven onverwijld te verhuizen en de kwetsbare punten te bewaken. Overigens hebben we een onrustige nacht achter de rug omdat onze posten enkele malen geschoten hebben. Zij hebben n.l. het consigne op iedereen die zich ‘s nachts op straat bevindt, te schieten, waarbij het uiteraard moeilijk is direct ten onderscheiden wie of wat zich op straat bevindt.
Het typische is dat ik blijkbaar dermate gespannen ben dat ik als ik wakker schrik, de neiging heb dekking te zoeken. Hetzelfde probleem doet zich voor als en een deur dichtslaat. Ik denk dan automatisch aan een granaatinslag.
Daar kan mijn vrouw later nog plezier aan beleven!  
Donderdag 14 augustus; De verhuizing van onze staf en mijn peloton is vlot verlopen.We hadden dan ook drie drietonners ter beschikking. De villa is prachtig alleen wat donker.We hebben ons zo goed mogelijk ingericht, waarbij we geholpen werden door enig meubilair o. a. een zeer mooi dressoir, dat we aantroffen. Over het uitzicht mogen we ook niet klagen,  vooral de westzijde is bijzonder mooi met al die sawahs. Aan de beveiliging is naarstig gewerkt. En zijn schootsvelden gekapt, prikkeldraad— versperringen aangebracht en reeds enkele stellingen gebouwd. De vijand kan dus komen, al moet ik bekennen dat ik die niet verwacht, aangezien men liever saboteert. De overste liep ons vanmorgen al vroeg voor de voeten en was, zoals gebruikelijk. doorlopend aan het woord. Hij beweerde nogmaals dat Nederland de hoofdschuldige was aan de huidige problemen omdat wij de inlanders vroeger zo slecht hadden behandeld. Als voorbeeld hoe het niet had gemoeten haalde hij er Colijn bij, een man die, volgens de overste, toen hij op patrouille was een oliebron ontdekte en dit niet rapporteerde, maar via allerlei slinkse wegen door die oliebron schatrijk werd. Of dit verhaal waar is, weet ik niet, het doet wel algemeen de ronde.
We hebben hier inmiddels een luxe auto en een Engelse vrachtwagen ontdekt, beiden rijp voor de sloop. Waar die auto vandaan komt is niet interessant, wel de herkomst van de vrachtwagen. Zou dit een geschenk geweest zijn van de "galante, sportieve" Engelsen, of hebben zij die moeten achterlaten toen ze destijds in Ambarawa op de vlucht zijn geslagen. Dit laatste is niet uitgesloten. Er zijn immens de laatste weken ook veel Engelse wapens en springstoffen buitgemaakt  
Ondertussen zit Maria Hemelvaart er weer op. De mis hebben we onder onze galerij laten opdragen, waarna de aalmoezenier nog een tijdje bij ons is gebleven en o. a. de fabriek heeft bezocht. Hij had wat kranten meegebracht o. a." De Tijd". Bij lezing viel het mij op dat er niet uitvoerig werd ingegaan op de huidige situatie en ook bloederige verhalen ontbraken.
In onze sector blijft het, behoudens wat sabotage van de vijand, opvallend rustig Dat kan niet gezegd worden van Ambarawa waar de Stoottroepen regelmatig problemen hebben. Gisteren verloren zij zelfs twee man en hadden zeven gewonden.
Ik dacht vannacht eens lekker te kunnen slapen maar het was er niet bij. Laat op de avond kreeg ik n.l. opdracht met mijn peloton een hindenlaag te leggen op de weg naar Salatiga, waar ‘s nachts regelmatig extremisten zouden passeren. Aanvankelijk maakte Hoogenraad aanstalten zich van die taak te kwijten, maar uiteindelijk gaf hij de eer aan mij.  
Om elf uur gingen we op pad, bereikten al spoedig het aangegeven punt en bleven daar vier uur in hinderlaag liggen. De vijand liet zich niet zien en de enige problemen waarmede ik kampte waren de kou en de slaap!
Vandaag is het een Mohammedaanse feestdag vanwege de beëindiging van de ramadan (grote jaarlijkse vastenmaand), derhalve ziin onze koelie’s en baboe’s niet verschenen. Er lopen hier nog steeds een stel baboe’s rond om de was voor de jongens te verzorgen.
Ik ben daar — gezien de ervaringen in Semarang - niet enthousiast over en probeer de jongens zoveel mogelijk bij die meisjes weg te houden, iets wat niet altijd in dank wordt aanvaard. Als het aan mij lag werden ze vervangen. Centraal wassen voor het gehele bataljon ware te overwegen.
Bringin krijgt langzamerhand weer een bewoond aanzien en negentig procent van de bevolking is teruggekeerd. Een gunstige ontwikkeling en de beste garantie om brandstichters te weren.  
De Loerah ( burgemeester) is een oud soldaat der le klasse van het K. N. I. L en is gewoonlijk gehuld in een oud uniform en gewapend met een klewang. Hij lijkt mij een actieve man, die de zaak ongetwijfeld onder controle krijgt.
De kapotte bruggen blijven voor onze verplaatsingen een groot probleem en er wordt door de genie hard gewerkt om ze te herstellen. Een belangrijke zaak want over een brug lopen om de overkant te bereiken of door een ravijn te ploeteren maakt een groot verschil. Bovendien kunnen we meer gebruik maken van onze carriers, al blijven die in dit terrein beperkt inzetbaar.
21 augustus: Heel de compagnie is weer verenigd, want de kolonel heeft het noodzakelijk gevonden dat het 1e peloton het stationnetje van Bringin ontruimde en bij de rest van de compagnie gelegerd werd. Wij, ook de bataljonscommandant, zijn het daar niet mee eens omdat wij de directe beveiliging van Bringin  belangrijker vonden, maar in het leger weet de hoogste in rang het altijd beter.
Je krijgt overigens wel eens de indruk dat de kolonel de vijand nog steeds onderschat en hem het liefst met de klewang te lijf zou willen gaan.
Over onderschatten gesproken; onze inlichtingenofficier doet dat m. i. ook als het gaat over het uitschrijven van patrouilles. Er zijn er n.l.  bij van meer dan twaalf kilometer. Dat lijkt niet veel maar als je met een zware bepakking door begroeid en geaccidenteerd terrein moet en bovendien de nodige veiligheidsmaatregelen in acht neemt, dan wordt een te zware wissel op je lichamelijke conditie getrokken.
De compagniescommandanten hebben zich ter zake dan ook beklaagd bij de overste.  
Hoogenraad en ik volgen het wel en wee van onze kampongs op de voet en vanmorgen zijn we zelfs aanwezig geweest bij een bespreking van de assistent resident en de wedana met de loerah's. Het ging er gemoedelijk aan toe en allerlei vraagstukken kwamen aan de orde. Over het algemeen kan gesteld worden dat de kampongs kampen met schurft, malaria en muizen en er een groot tekort is aan textiel, geneesmiddelen en petroleum, terwijl de rijstvoorraden zeer beperkt zijn. Hier is een taak weggelegd voor het binnenlandsbestuur, de doktoren en het Rode Kruis, waarbij ik aanteken dat iedereen goedwillend is maar de middelen beperkt zijn.
We hebben weer een gewonde te betreuren, niet door een vijandelijke activiteit, maar door een stommiteit. Een van de jongens vond het nodig, alhoewel hij chauffeur is, de elektrische installatie te onderzoeken en controleren met als gevolg dat hij zichzelf bijna elektrocuteerde en met brandwonden aan hand en arm in het hospitaal moest worden opgenomen.
Ook onze hond whiskey — excuseer de vergelijking — is slachtoffer geworden van onvoorzichtigheid. Hij heeft n.l. op een van de booby-traps getrapt en zijn poot bezeerd. Whiskey, onze domste maar liefste hond, doet ongelooflijk zielig maar hij heeft slechts een vleeswond en zal ongetwijfeld, ook al omdat hij door iedereen wordt vertroeteld, voorspoedig herstellen.
 
25 augustus;  Vandaag heeft de brigade, dus ook onze compagnie, klaargestaan om tot de aanval over te gaan, maar laat op de avond kwam het bericht door dat wij ter plaatse moesten blijven, weshalve we onze spullen weer konden uitpakken. Wat er precies aan de hand is geweest is mij nog niet duidelijk, maar volgens Hoogenraad, heeft het in het voornemen gelegen morgen een aanval in zuidelijke richting in te zetten. Nu volstaan we met het verzamelen van gegevens over subversieve activiteiten van de vijand in ons gebied, teneinde de Verenigde Naties inzicht te geven in de situatie, welke voorts nader zal worden toegelicht door onze vertegenwoordiger bij de V. N. de heer van Kleffens.
Alles blijft dus bij het oude, al gaan wij door met het opvoeren van onze paraatheid, nu weer door het vervangen van mortiercarriers door brencarriers, waardoor we in feite de beschikking krijgen over rijdende stellingen, wat onze slagvaardigheid en mobiliteit zeer ten goede komt.
Hoogenraad kwam niet in de beste stemming terug uit Semarang, want van een stafofficier van de brigade had hij vertrouwelijk vernomen dat onze bataljonscommandant hem een loer zal draaien als hij daartoe maar enigszins de mogelijkheid ziet. Vervelend voor hem, maar ook voor ons. Zo’n situatie hebben we immers al een keer meegemaakt met Piters, waarvan uiteindelijk ook de compagnie de dupe werd.
Bij ons blijft het dermate rustig dat wij het ons kunnen permitteren naar Semarang te gaan, zij het om de beurt. Vandaag was ik aan bod en samen met onze chauffeur zijn we in een rustig tempo en onderwijl genietend van de schitterende panorama’s op pad gegaan. De hernieuwde kennismaking met Semarang viel eerlijk gezegd niet mee, al moet ik toegeven dat de stad vanaf de Gombel een prachtige indruk maakt.
Het belangrijkste wat ik te doen had was mijn haar laten knippen en vroeg in de middag zijn we dan ook huiswaarts gereden, waarbij we ook even Ambarawa aandeden. Ambarawa lijkt mij een leuk stadje, maar is ontzettend verwoest. Voorts vielen de opschriften "India for the Indians" en "No Domimons" op, daterend uit de tijd dat de Engelsen met enige spoed, Ambarawa moesten ontruimen en zagen we het ex— vrouwenkamp waarin nu een compagnie van 7 R I. is gelegerd.  
29 augustus;  De kolonel is, samen met zijn adjudant, kapitein de Jong, heel de morgen op bezoek geweest. Een van onze pelotons heeft n.l. enige dagen geleden een gevecht geleverd met.... eigen troepen. Het betrof hier een patrouille van inheemse soldaten, waarvan wij in ons gebied het bestaan niet wisten en die door een misverstand in onze sector terecht waren gekomen. Gelukkig is dit treffen betrekkelijk goed afgelopen, aangezien zij tijdig terugtrokken.
Er is nu exact vastgesteld waar ze mogen patrouilleren, zodat dergelijke misverstanden in het vervolg voorkomen kunnen worden.
Ondertussen heeft onze brigade tijdens acties en patrouilles regelmatig doden te betreuren en vooral de Stoottroepen moeten de tol van de agressiviteit van de vijand betalen. Ik denk dat we over augustus zeker twintig doden te betreuren hebben, waarvan er echter slechts één tot ons bataljon behoorde en die verdronk nog tijdens het zwemmen in de kali.
We mogen aan het eind van de maand vaststellen dat "De republiek" zich thans, evenmin als in oktober 1946, aan de wapenstilstand houdt. De talrijke legertjes die men rijk is en blijkbaar niet onder controle kan krijgen, gaan rustig hun gang, overvallen onze troepen, steken huizen en gebouwen in brand en laten bruggen in de lucht vliegen. Het mooie daarvan is dat ze dit — volgens radio Djocja — met tranen in de ogen doen en zich daarbij nog beroepen op de veiligheidsraad want zij voeren immers een vrijheidsstrijd.
In "De Tijger" trof ik ter zake een fel artikel aan waaruit ik het volgende meen te mogen citeren: "Wat voor vrijheid ? Vrijheid om te rampokken, te plunderen, te moorden en te stelen ? Vrijheid om een land als Indië dat een van de welvarendste streken van de archipel was naar de put en de afgrond te helpen. Vrijheid en Jappenterreur en misdadige praktijken voort te zetten ? Vrijheid om zich ten koste van een ander te verrijken?"
Met tranen in de ogen. Inderdaad met tranen in de ogen wordt men zich bewust van het rampzalige lot van miljoenen bewoners van wat eens was ; de parel van de Indische Archipel.
De z.g.n. vrijheidsstrijd der "Repoeblik" heeft tot dusver nog niets anders bereikt, dan dat een rijk en welvarend volk tot den bedelstaf is gebracht en dat, wat jaren van opbouw en cultuur hebben gebracht, thans renteloos en vernietigd neerligt. En de goedwillenden onder het Indonesische volk; staten als Oost—Indonesië en Borneo, worden uitgekreten als heulers met de Nederlanders en opstandelingen tegen de" Repoeblik". En zij worden door de Veiligheidsraad geweerd, die zich daardoor het predikaat van onbetrouwbaarheid en eenzijdigheid geeft" 
Tot zover dit citaat..
Ik denk dat hier geen woord aan toegevoegd behoeft te worden omdat dit weergeeft hoe wij denken en de situatie beoordelen, en waarom wij liever vandaag dan morgen Soekarno en zijn satelieten willen uitschakelen.
 
31 augustus;  De verjaardag van H. M. de Koningin, maar ook mijn trouwdag, is slecht begonnen want er is bericht binnengekomen dat een van de Loerahs vannacht is doodgeschoten door extremisten. Ik heb deze Loerah meermalen ontmoet en zelfs een klewang van hem cadeau gekregen. Hij was nog een vrij jonge, actieve kerel en blijkbaar ook een dappere vent want, ondanks het feit dat hij zwaargewond was door een schot in zijn buik, heeft hij toch nog kans gezien een van zijn overvallers, nota bene de zoon van de Loerah van een nabij gelegen kampong, dood te steken met zijn kris. Zou er verband bestaan tussen de positieve houding die de Loerah tegenover ons aannam en zijn dood en zou hij als een collaborateur beschouwd zijn?
De dag is derhalve triest begonnen en feitelijk ook gebleven. Het regende en ik was niet in conditie wegens een injectie tegen para—typhus. Daar komt nog bij dat je je op zo’n dag realiseert dat je bijna twee jaar van huis bent en met geen mogelijkheid valt te bepalen wanneer je afgelost wordt en naar Nederland kunt terugkeren. Het enige feestelijke tintje dat ik aan deze dag gegeven heb is het versieren van het portret van mijn vrouw, om daardoor een beetje het gevoel te krijgen dat je toch bij elkaar bent en samen de trouwdag herdenkt. Volgend jaar beter en echter!
De aalmoezenier bezorgde mij door zijn komst wat afleiding, doch was ook niet in de beste stemming aangezien hem door de overste zijn jeep was afgenomen. De jeep van de overste is door zijn chauffeur, na een uitstapje naar Semarang, in de soep gereden, iets waarvan de aalmoezenier nu de dupe is geworden.
Het regent toch wel opvallend veel de laatste dagen. Zou de kentering al begonnen zijn? Als generaal Spoor van plan is om nog dit jaar tot acties over te gaan moet hij opschieten want als het hier echt gaat regenen zijn we in verband met de terreingesteldheid en de kapotte bruggen zwaar gehandicapt. Zelfs het kleinste riviertje wordt dan een woeste kali, waar we met onze carriers onmogelijk doorheen kunnen, om over de problemen die wij, als infanteristen, dan krijgen nog maar te zwijgen.
Wij bekijken de kaart van Solo wel eens. Een opmars in die richting lijkt mij niet al teveel problemen op te leveren. Solo ligt veel lager dan Salatiga, is niet zo heuvelachtig en via verschillende opmarsroutes te bereiken. Ik ben nu weer in een stemming om aan zo’n opmars te beginnen, omdat de situatie waarin we nu verkeren onze troepen teveel doden en gewonden kost, vooral onder de nieuwe troepen die nog te weinig gevechtservaring hebben.  
Vandaag hebben we met twee compagnieën een z.g. zuiveringsactie in oostelijke richting uitgevoerd, waarbij we door kampongs kwamen waarvan de kleine kinderen waarschijnlijk nog nooit een blanke hadden gezien en konden genieten van de schitterendste panorama’s, soms onwerkelijk mooi als op films en foto’s. De vijand liet zich niet zien, niet zo verwonderlijk want het is niet uitgesloten dat het overdag nijver werkend boertje, de extremist van ‘s nachts is, al moet ik toegeven dat de bevolking zich steeds welwillender tegenover ons begint op te stellen.
Dat merken we ook aan de meldingen die regelmatig binnenkomen over gevonden wapens en zelfs vliegtuigbommen.
Teneinde het inleveren van wapens te stimuleren hebben we een kleine beloning ingevoerd. Zo krijgen ze voor een geweer vijf gulden. In dit verband is het ook interessant te vermelden dat de vijand ongelooflijk gevarieerde bewapening voert en we zelfs Mexicaanse geweren aantreffen. Op de vraag hoe ze daaraan komen kunnen waarschijnlijk alleen de Chinezen van Singapore een eerlijk antwoord geven.
Deze lieden zijn voor geld overal voor te porren, waarbij ze zich niet realiseren dat de door hen afgeleverde wapens ook gebruikt worden om hun in Indië wonende rasgenoten te vermoorden. Er bestaat bij de extremisten n.l. een grote haat tegen alles wat Chinees is, omdat zij worden aangezien voor woekeraars die voor de oorlog vooral de kleine Javaanse boertjes uitzogen, boertjes die je nu aantreft onder de extremisten.
Wij bij 6 R. I. hebben een ijskastenaffaire. Wij zijn n.l. twaalf ijskasten kwijt. Die dingen zijn natuurlijk tijdens onze verplaatsing ergens blijven staan. Zo neem ik aan dat die van ons in Weleri of Bringin staan., of gestaan hebben. Hoe het ook zij ; ze zijn spoorloos en moeten boven water komen. Zelfs de generaal is er aan te pas gekomen. Gelukkig heb ik nergens voor getekend.
Dominee Koningsbergen, de vrolijkerd die ons vorig jaar wijs kwam maken dat we in september 1947 zouden worden afgelost, is weer op het toneel verschenen en verblijft momenteel in Salatiga. Wat hij ons nu weer op de mouw komt spelden weet ik niet, aangezien de jongens die naar zijn voorlichting kwamen luisteren, pas arriveerden op het moment dat hij zijn speech beëindigde. Hopelijk is hij wat wijzer geworden en heeft hij zich niet uitgelaten over zaken die niet tot zijn competentie behoren.  
Over voorlichting gesproken; ook onze tegenstanders doen daar aan. Regelmatig treffen we pamfletten aan. Zo vond ik vandaag op weg naar Salatiga een "Roep van Indonesische Geuzen" met de volgende inhoud:
 
"0p naar Tokyo",  zei een KNIL—Legercommandant, Z. E. Luitenant—Generaal Ter
Poorter op 9 december.
"7 Dagen tot Djocja", zei weer een KNIL—Legercommandant op 21 juli 1947.
Dit zijn de woorden van Z.E. Luitenant—Generaal Spoor, ex— N. S. B.er.
van dit alles is niets uitgekomen.
Maar wel:
A   9000 KNIL—soldaten zijn gesneuveld en liggen rustig en vredig in de schoot van ons dierbaar vaderland : INDONESIA.
B. En dan de boycot op vliegvelden te Colomo en Bombay en in de havens Singapore, Alexandrië en Suez kanaal.
C. Boycot en stakingen door Australiscbe en zelfs Hollandse arbeiders te Amsterdam en Rotterdam.
Gij zijt op het verkeerde pad. U strijdt om ”orde en rust te handhaven ??” zegt men. U strijdt niet voor het
lndoneschise volk,want iedere Indonesische man of vrouw is tegen U en staat achter Bung Karno en Bung Amir 
en zal tot het laatste bloed ons Republiek Indonesië verdedigen.
En U strijdt ook niet voor het Nederlandse volk.
Zij lijden nu honger en bibberen van kou door de strenge winter. Daar in Nederland is er geen enkele aardappel of 
koren en ook geen turf, of kolen. De koloniale oorlogslasten zijn te zwaar voor hen.
U strijdt alleen maar voor de heren: Escompto, B. P. M.,   N. I. S.,   H. V. A. en nog andere kruideniers.
Broeders en kameraden bezint eer het te laat is!!!
Wij zullen tot de laatste druppel bloed strijden en zullen de strijd het laatst wis en zeker overwinnen. 
De jeugd van de World Federation of Democratic Youth en de arbeiders van de World Federation of Trade 
union zijn met ons",  
                            
                                                        LANG LEVE DE DEMOCRATIE!!!!!!!!!
                                               WEG MET DE KOLONIALE FASCISTISCHE IDEALEN MERDEKA
                                                         KAMERAAD LUNEY INDESIA
Als ik zo’n pamflet lees dan gaan mijn gedachten automatisch terug naar de bezetting van Nederland en zie ik mezelf weer bezig met het verspreiden van "Trouw", "Je Maintendrai", "Christopher" en ons eigen blaadje "De Vrije Stem". Als ik nog verder doordenk dan realiseer ik me dat de extremistiscbe propaganda blijkbaar zo misleidend is, dat er Indonesiërs zijn die sterk aan onze goede bedoelingen twijfelen. Soekarno en zijn kliek hebben blijkbaar op dit gebied het een en ander geleerd van de Jappen.
Wij van onze kant zijn er nog steeds van overtuigd dat wij hier het goede werk aan het verrichten zijn en worden in onze overtuiging gesterkt door de massale terugkeer van de bevolking naar de kampongs die onder onze zorg vallen.  Dat die zorg nodig is, constateerde ik vandaag tijdens een patrouille naar kampongs die we nog niet eerder hadden verkend. De bevolking bleek n.l. aan schurft te lijden, een heel vervelende kwaal. Hier ligt een taak voor het Rode Kruis maar ook voor onze doktoren die zich bereid hebben verklaard een hospitaaltje in te richten en daar twee dagen per week zitting te houden.
Onze zorg blijkt ook uit het feit dat we tijdens de patrouilles de economische situatie van de kampongs opnemen en daarover rapporteren, waarna bezien wordt wat er terzake kan worden gedaan. Ondanks dat blijven onze troepen lijden onder subversieve activiteiten van de vijand.
Zo reed vandaag een van onze carriers op een landmijn, waardoor vier jongens gewond werden, waarvan één zwaar. Dit alle gebeurt terwijl officieel sprake is van "cease—fire" en er een soort demarcatielijn bestaat.
Onderwijl houden de jongens de moed er echter in en Hoogenraad en ik maken menig avond mee dat er een oorverdovend lawaai gefabriceerd wordt in de naast onze woonruimte gelegen kantine.Vooral Spoor uit Geertruidenberg mishandelt dan de piano, waarbij hij kan rekenen op ondersteuning van een trompet, een trommel, en sinds kort, een zingende zaag. Laat ze maar doen, als het te erg wordt grijpen we wel in.
De directie van onze fabriek zit ook niet stil want een twintigtal koelie’s zijn doende het puin op te ruimen. De beveiliging blijft een probleem, al dacht ik dat de tijd rijp wordt om weer met de productie te starten. De machinehallen zijn n.l. reeds schoon, de daken zullen echter eerst hersteld moeten worden. Voorts doen zich moeilijkheden voor met betrekking tot de betaling van de koelie’s, aangezien er een misverstand is ontstaan tussen het binnenlands bestuur en de directie van de fabriek.
Over betaling gesproken;  de koelie’s verdienen f O,80 per dag, vroeger moesten zij het doen met f. 0,25. Deze salarisverhoging zal de heren aandeelhouders ongetwijfeld niet welgevallen zijn, maar die kunnen best met iets minder volstaan, zo ook de heren ondernemers.
Vanmiddag hebben we generaal de Waal op inspectie gehad. Een gemoedelijke man die juist de enige stengun van de compagnie inspecteerde die niet smetteloos was.
Uit een gesprek met hem kregen we de indruk dat het niet aannemelijk is dat wij op korte termijn tot de aanval zullen overgaan, aangezien er steeds meer compagnieën naar buitenposten werden gedirigeerd. Dit laatste lijkt mij tactisch een goede zet teneinde infiltranten op afstand te houden. Dit is wel nodig want regelmatig rijden er carriers en jeeps op mijnen die door subversieve elementen geplaatst zijn. Gewoonlijk vallen daarbij niet veel doden.
Vandaag kwam echter de overste Koeman, commandant van 3—7 R 1. bij zo’n ontploffing om het leven. Zijn dood heeft mij speciaal getroffen omdat hij zo’n sympathieke, vaderlijke commandant was die erom bekend stond hij zo zuinig op zijn jongens was. Onbegrijpelijk dat de Veiligheidsraad dergelijke daden wegwuift en partij blijft trekken voor het gespuis dat zich aan geen enkele regel of afspraak houdt.  
24 september; Wij zijn verhuisd naar de kampong Wiroe gelegen op twaalf kilometer van Bringin en ik moet tot mijn spijt constateren dat het, voor onze doen, luxueuze leven in de administrateurwoning van de onderneming "Getas" tot het verleden behoort. Wij hebben wat huisjes en stallen laten ontruimen, schoonmaken en ontsmetten teneinde de compagnie te kunnen legeren. Water en licht ontbreken, zo ook vloeren en ramen.
Hoogenraad en ik bewonen een rijstschuur van 2 bij 5 m. en het zal derhalve een kwestie van behelpen worden.
Het enige wat goed is, is de strategische ligging van de kampong. Aan de N. en Z- zijden bevinden zich n.l. ravijnen van waaruit het onmogelijk is ons kamp te naderen en met wat prikkeldraadversperringen en stellingen is onze positie onneembaar. Terwijl wij ons aan het inrichten waren kwam de kolonel op bezoek om o. a. te inspecteren of wij de veiligheidsaspecten niet verwaarloosden. Aangezien wij wisten dat hij zou komen en waarop hij speciaal zou letten hadden wij ons extra uitgesloofd bij het aanleggen van versperringen en versterkingen en maakten derhalve een goede beurt, zoiets is nooit verloren.
We zijn weer een paar dagen verder en het kampement begint een beetje op orde te komen en we hebben zelfs de omgeving al verkend, waarbij we een klein protestant kerkje ontdekten dat nog steeds in gebruik bleek, ondanks de afwezigheid van een dominee. De ouderlingen hadden min of meer zijn taak overgenomen. De houding van de bevolking viel over het algemeen mee, textiel is schaars.
 
27 september; Ik ben juist terug van een bespreking met de bataljonsstaf en vernam daar o. a. dat 6 R I. in de loop van januari of februari 1948 zal worden afgelost. Ergens een tegenvaller omdat wij hadden verwacht voor Kerstmis 1947 weer thuis te zijn. Van de andere kant een soort bevrijding; nu weten we immers waar we aan toe zijn, al moet ik eerlijkheidshalve vermelden dat de meeste jongens zich opnieuw belazerd voelen.
Gelukkig geeft het, in drievoud invullen van z. g. demobilisatieformulieren wat afleiding, terwijl ook de mededeling van de heren van het demobilisatiebureau dat het vinden van passende arbeid geen problemen behoeft op te leveren, voor wat opluchting heeft gezorgd.
Ondertussen nadert de natte moesson met rasse schreden en worden we regelmatig door regenbuien geteisterd. De toestand van ons kamp is soms van dien aard dat je kunt kiezen tussen  zwemmen, baggeren of skiën.
Ongetwijfeld bestaat er verband tussen onze slechte ligging en het toenemend aantal zieken. Zelfs de malaria steekt weer de kop op en b. v. mijn oppasser en Jan Rijpert zijn weer uitgeschakeld. Als bijkomende factor moeten we voorts de zware patrouilles niet vergeten. Ik heb er de laatste tijd niet veel over vermeld maar de jongens zijn weer zwaar overbelast. Hoogenraad heeft ter zake bij onze staf zijn ongerustheid uitgesproken, maar heeft geen gehoor gekregen.
Vanmorgen werden we opgeschrikt door mortier— en artillerie-inslagen in het gebied waar zich — dat dacht ik althans — een patrouille van onze compagnie bevond. Voor alle veiligheid en zekerheid besloot ik een paar carriers uit te sturen om polshoogte te nemen. Het probleem is n.l. dat kleine patrouilles niet over een radioset beschikken en derhalve geen contact kunnen onderhouden. Gelukkig had ik de plaats van de inslagen verkeerd ingeschat en was onze patrouille niet in moeilijkheden. Na de middag kreeg ik de overste van Welzenes op bezoek die mij vroeg of ik interesse had in de functie van inlichtingenofficier. Ik heb voor de eer bedankt en gezegd dat ik de tijd het liefst met onze compagnie wil afmaken, iets waarvoor hij begrip kon opbrengen.  
 
Vandaag 4 oktober ben ik weer eens een keertje met verlof naar Semarang geweest. Wat ik daar nog ga zoeken is me feitelijk niet duidelijk of het zou de kapper moeten zijn.  
Wij, de chauffeur en ik, werden drie keer door de M. P. gecontroleerd of we wel in het bezit van het vereiste pasje waren. Ik trof er wel abnormaal veel officieren van 6 R. 1. aan. Hoe ze dat versieren weet ik niet, aangezien er officieel slechts drie tegelijk met verlof mogen. Neen, Semarang is ons Semarang niet meer en ik dacht dat sergeant de Vries dat het beste typeert in het volgende gedicht
 
                                                                                               Verlof
 
Vroeg uit de veren en ... in het camouflagepak,
Naar een bonkige drie—tonner op je dooie gemak.
Een tocht naar Semarang, je eet handen vol stof,
Maar je slikt het terwille van één—dag—verlof.
Je darmen—complex, strategisch gearrangeerd,
Wordt grondig—vakkundig gedecentraliseerd.
Zodra j’ arriveert, grijpt de zon j’ als een gek,
Met brandend verlangen in je borst en je nek.
En of je nu passart, wandelt, stilstaat of eet,
Geen seconde van de dag, dat je niet transpireert en (of) zweet.
Je sloebert limonade, tot j’ er onwelvoeglijk van lijkt,
En de beurs voor die uitspatting niet toereikend blijkt.
En verder lijd je maar dorst, ‘t lijkt wel patrouille,
Je besluit geen dag meer aan Semarang te verknoeien.
Dan... in ‘t holst van de nacht... als anderen slapen,
zit je gammel op een bonkige drie—tonner te gapen.
De glorie—tocht terug... je eet handen vol stof,
Maar je slikt het terwille van het eind van je verlof.
   
Voor onze tent wordt het steeds drukker met schooiertjes, waarvan de kleding varieert van weinig tot niets. Aardige bengels die niet onderdoen voor hun blanke broeders en zusters van die leeftijd. Binnen korte tijd zullen ze en ongetwijfeld beter uitzien want door de jongens wordt veel eten weggegeven, waarbij het in ontvangst nemen van een warme hap geen enkel probleem oplevert aangezien een pisangblad tot bord wordt omgetoverd waarna hun" vijf geboden" voor de rest zorgen. Binnenkort hopen we ook hun (ont)kledingsproblemen op te lossen.
Dat "binnenkort" blijkt reeds vandaag 9 oktober 1947 te zijn, want de meisjes van het Rode Kruis zijn druk doende kleding uit te reiken. Passende kleding is er praktisch niet, maar dat levert geen enkel probleem op, alles is beter dan de jutezakken waarin men moet lopen. De een loopt in een pyjama, de andere in een jurk, soms doet het wat carnavalesk aan, maar overal zie je glunderende gezichten en daar gaat het uiteindelijk toch om. Bij het Rode—Kruisteam zijn veel  Indootjes, sommigen net zo bruin als de Javaantjes. Zij bezigen een typisch Nederlands taaltje, waarbij ze vooral de nadruk leggen op de R en de N, waardoor b. v. het woordje lekkerrr is ontstaan. De lndische mensen zullen het nog moeilijk krijgen in de" Republiek". De overste ontbrak natuurlijk ook niet bij de uitdeling. Het is een rare kwast maar het moet gezegd worden dat hij gek is op kleine kinderen, die gewoonlijk als trossen aan zijn jeep hangen, wat hij met een welwillende glimlach toelaat.
Het wordt ons steeds onduidelijker wat voor politiek spel er gespeeld wordt. Dr. van Mook is zeer actief bezig en consuls van diverse landen verblijven op Java en moeten blijkbaar verslag uitbrengen over de situatie. Zolang die procedures lopen is het niet aannemelijk dat wij tot een tweede politionele actie zullen overgaan. Eerlijk gezegd voel ik daar ook niets meer voor. We hadden in augustus j.l. de zaak moeten afronden. Toen was er een situatie als op "dolle Dinsdag" en hadden we in looppas heel Java onder de voet kunnen lopen. Nee, Nederland is veel te loyaal geweest tegenover de V. N. Overigens zal de geschiedenis wet uitwijzen wat goed of fout was. Militair gezien was het in ieder geval fout de actie op 4 augustus j. l. onvoltooid te stoppen.  
 
10 oktober 1947;  Ik ben heel de dag op stap geweest met de assistent - wedana om aanwezig te zijn bij het aanstellen van twee Loerahs. Door middel van de tam—tam werden de hoofden van de gezinnen opgeroepen naar het huis van de oude Loerah. Het duurde vrij lang voor ze allemaal present waren, maar dat kwam waarschijnlijk omdat ze elders aan het werk waren. In de kampong Lebak bleken twee kandidaten te zijn n.l. de schoolmeester en de  "raadsheer". De laatste werd met praktisch alle stemmen gekozen, alhoewel de schoolmeester mij het meest geschikt leek. De assistent—wedana deelde mijn mening, doch deelde mede dat de reden heel simpel was; de vrouw van de schoolmeester was n.l. hoogmoedig en dat pikten de kampongbewoners niet;  je merkt dat ook op Java een vrouw je kan maken of breken. In de kampong Gog-dalem kregen we dezelfde procedure. De man die gekozen werd leek mij uitermate geschikt. Ondertussen waren we aan tafel genood, waar ik met lange tanden een rijstmaaltijd verorberde. Ik houd niet van eten in een kampong omdat ik bang ben dat er het een of ander aan de hygiëne schort, maar in dit geval eiste de beleefdheid dat ik mee aanzat.
Thuisgekomen hoorde ik dat de 2e compagnie een dode, n.l. soldaat Thijssen, te betreuren heeft. Twee eigen patrouilles zijn in het pikdonker met elkaar in een vuurgevecht geraakt, met dit noodlottige gevolg. Onbegrijpelijk  dat dit soort voorvallen nog steeds plaatsvinden na zoveel gevechtservaring.
Ook de stoottroepen hebben weer doden, zelfs drie, tengevolge van een ongeluk. Een mortiergranaat ontplofte n.l. in de loop. De stoters hebben onnoemelijk veel pech en mede daardoor veel meer doden dan de andere bataljons. Vooral één compagnie, die van de vroegere majoor Burgers ( ook gesneuveld ), heeft veel slachtoffers.
Bij onze compagnie gaat het de laatste tijd, misschien ook door dom geluk, vlekkeloos. Zo vredig is het echter  overal niet, gezien het feit dat de brigade in september j.l. twee en twintig doden telde.
Nu ik het toch over gesneuvelden heb; het valt mij de laatste tijd op dat er in een communiqué zoveel vermisten worden vermeld. Dat kwam en komt bij onze bataljons praktisch nooit voor en ik herinner mij bij ons bataljon slechts één geval toen tijdens de aanval op Semarang een jongen van de 1e compagnie vermist werd. Ik neem aan dat het hier jongens betreft van nieuwe onderdelen die nog de nodige gevechtservaring missen. Het kan echter ook zijn dat de vijand beter en sterker wordt.
 
Wij zijn momenteel de trotse bezitters van vier paarden die onze tolk voor onbepaalde tijd gehuurd heeft. Wij hebben nogal wat paardenliefhebbers, die nu een nieuwe vorm van ontspanning hebben gevonden. 
Ze hebben mij ook al zo gek gekregen dat ik op een paard ben geklommen, dit ondanks mijn angst voor paarden. Dit laatste is blijkbaar niet het geval met onze hond Wisky, want terwijl ik mijn best deed om paard te rijden, sukkelde hij trouw achter mij aan. Een lief en trouw beest en Hoogenraad en ik hebben al eens overwogen hem mee te nemen naar Nederland, dat zal echter wel uitgesloten zijn. Wij zullen hem maar schenken aan een van de jongens die achterblijven. Dat zijn er tot nu toe niet veel, want ondanks de voorlichting daaromtrent geven bijna alle jongens de voorkeur aan terugkeer naar Nederland. Ik zelf voel er ook niets voor om hier te blijven, in tegenstelling tot Felix v.d. Straeten, die in Indië een carrière wil opbouwen en als voorbereiding hierop zelfs reeds naar Batavia overgeplaatst is.
Ondertussen blijven wij de onmogelijkste patrouilleopdrachten krijgen. Zo moet er vanavond om zes uur een patrouille uit en moet in het terrein blijven tot morgenmiddag twaalf uur. De staf wil de jongens derhalve maar liefst achttien uur achter elkaar in touw hebben. Een onzinnige opdracht, die wij met de nodige fantasie en soepelheid zullen interpreteren. We troosten ons maar met de idee dat het leed over een paar maanden geleden is, al krijg je wel eens de indruk dat men alles doet om ons voor die tijd nog te laten afknappen. Wij vinden die uitsloverij niet nodig, aangezien onze compagnie in een gebied opereert waar de samenwerking met de bevolking uitstekend is en b.v. alle verdachte personen onmiddellijk worden gemeld.
Bovendien hebben wij onvoldoende mensen om de opdrachten uit te voeren. Het is n.l. zo dat momenteel de drie pelotons verspreid zijn gelegerd. Het 1e peloton bevindt zich weer op de onderneming"Getas", het 2e peloton verblijft in de kampong Tempoeran, terwijl mijn  peloton en de staf de kampong Wiroe voor onze rekening hebben genomen, waardoor alleen het wachtlopen een groot gedeelte van de jongens opeist en het komt zelfs voor dat wij aan de hand van cijfers kunnen aantonen dat er niemand ter beschikking is om voor een bepaalde patrouille te worden ingezet.  
 
De zondagmorgen hebben Hoogenraad en ik op gepaste wijze doorgebracht in gezelschap van een Javaanse dokter. We hebben over allerlei onderwerpen van gedachten gewisseld en natuurlijk ook over de politieke situatie.
De dokter liet duidelijk blijken dat hij sympathiseert met de "Republiek", al moest hij toegeven dat Indië economisch nog lang niet op eigen benen zal kunnen staan en op dit terrein mogelijk een willige prooi kan worden van Amerika of Rusland. Hij onderkende voorts dat men te weinig geschoolde mensen had, wat hij overigens toeschreef aan het beleid van Nederland vóór 1942. Voor de houding van het KNIL tijdens de Japanse aanval had hij weinig respect, aangezien men praktisch overal voor de Jap was gevlucht, iets wat vooral bij de primitieve inlander, die voordien huizenhoog tegen het KNIL opzag, tot een geweldig prestigeverlies had geleid. Een verhelderend gesprek, al moet ik hier wel opmerken dat ik van de overste Gerritsen, zelf een arts, heb gehoord dat deze Javaanse dokter wel goed praat maar verder te beroerd is om de polikliniek bij de onderneming draaiende te houden en zijn rasgenoten te behandelen, wat absoluut nodig is om hen van schurft en de vreselijke beenwonden af te helpen.
Inmiddels is het 14 oktober 1947 en zijn we twee jaar van huis. We hebben de achterliggende twee jaar veel meegemaakt, maar we leven nog, zij het onder omstandigheden die doen denken aan Morib—Beach. Ik denk niet dat er iemand is die deze jaren wil overdoen, en ik neem evenmin aan dat er onder ons lieden zijn die zich voor oorlogsvrijwilliger zouden opgeven, indien zich zo’n situatie zou voordoen. Men heeft ons teveel wijsgemaakt. Bovendien zijn wij praktisch permanent overbelast geweest en hebben onder de beroerdste omstandigheden moeten opereren.  
 
Ook vandaag hebben de jongens weer een zware patrouille achter de rug Ze hadden opdracht zich door het zwaar geaccidenteerde terrein te verplaatsen naar de kampong Dadapajam, waar de 4e compagnie is gelegerd. Ik was voor deze opdracht gespaard en mijn taak bestond alleen in het hen per truck ophalen. Nu is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan, aangezien de afstand door het terrein weliswaar slechts tien kilometer bedraagt, doch via de hoofdweg veertig en dan nog over een niet al te goed berijdbare weg. Onderweg passeerden we nog een weg, waaraan de extremisten hadden geknoeid en het tracé verlegd hadden naar een.... ravijn en dat juist op het hoogste punt van de klim en bij een onoverzichtelijke situatie. Gelukkig zijn onze troepen bij de verovering van dit gebied en letterlijk en figuurlijk niet ingestapt.
Rond een uur of twee waren we weer terug in Wiroe, ik met zware hoofdpijn en de pest in. Het weer werkte ook al niet mee, het regende pijpenstelen en de atmosfeer was drukkend. De avond hebben we gevuld met het, bij een slecht licht gevende en walmende petroleumlamp, lezen van de kranten die de aalmoezenier had meegebracht. Die kranten bezorgden ons overigens nog een lichtpuntje aangezien ik daarin las dat er 20.000 man in opleiding is om ons af te lossen, waarvan de eerste troepen in november a.s. scheep gaan.  
 
Ook vandaag 15 oktober 1947 hebben we weer assistentie moeten verlenen bij de 4e compagnie, die een zuiveringsactie hield. Ons peloton was reserve en hoefde niet te worden ingezet. De vijand werd alleen op afstand waargenomen en getrakteerd op ´"wat" artilleriegranaten. Onze artilleristen kennende neem ik aan dat er weinig of niets over de vorm van traktatie valt na te vertellen. In de loop van de dag kwam majoor Smit, chef—staf T—Brigade, een kennis van Hoogenraad, op bezoek en wij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt ons ongenoegen over de overbelasting van onze compagnie kenbaar te maken.
Majoor Smit bleek gevoelig voor onze argumenten en zegde toe opdracht te zullen geven tot het intrekken van de post op de onderneming.
 
Het is 20 oktober en majoor Smit heeft woord gehouden. Het 1e peloton heeft zich n.l. bij ons kunnen voegen, waardoor we voor wachten en patrouilles meer mensen ter beschikking hebben. Ik dacht dat het zinnig was hier te vermelden dat niet alleen ons bataljon, maar ook de gehele brigade, overbelast is. Wij hebben veel te weinig mensen en via lapmiddelen tracht men dit op te vangen, waarbij ik wel eens de indruk krijg dat de kolonel onze problemen onvoldoende onderkent. Mogelijk dat het nieuwe systeem van patrouilleren wat verlichting brengt Wij patrouilleren nu n.l. twee dagen achter elkaar, overnachten in een andere kampong en zijn daarna een tijdje vrij. Mijn beurt heb ik inmiddels achter de rug.
 
Op 21 oktober vertrokken wij in alle vroegte, gepakt en gezakt, zoals men dat noemt.  Nu moet je dit niet al te letterlijk nemen want onze bagage werd getorst door een achttal pakpaarden, terwijl wij alleen onze bewapening voor onze rekening namen. Dat bleek meer dan genoeg want het had geregend waardoor het patrouilleren ontzettend bemoeilijkt werd. Bovendien moesten wij heuvel op, heuvel af.
De eerste kampong die wij bezochten lag zo’n tweehonderd meter boven de rest van het terrein en bleek alleen via een steile klim bereikbaar. Ik kreeg steken in mijn zij, dacht dat mijn longen het zouden begeven en transpireerde verschrikkelijk, waaruit o. a. geconcludeerd mag worden dat mijn conditie niet al te best is. Gelukkig liet de vijand ons met rust en konden we, na even stelling genomen te hebben, onze tocht onder betere omstandigheden voortzetten.
In de loop van de namiddag bereikten we een kali waar we ons, in niet al te schoon water, wat konden verfrissen, waarna ik de nabijgelegen kampong verkende en aan de rand daarvan een afdak ontdekte dat geschikt was om te overnachten.
De inrichting van ons bivak leverde geen noemenswaardige problemen op, evenmin de verzorging van de warme maaltijd. Met aardappelen en vlees in blik, opgewarmd op haastig geïmproviseerde oventjes, doe je onder zulke omstandigheden, wonderen. Slapen was er voor mij echter niet bij. Ik had me geïnstalleerd op enkele planken en gebruikte een zadel van een van onze paarden als hoofdkussen, doch was dermate gespannen dat ik niet kon slapen. Wat duurt zo’n nacht onnoemelijk lang en komt de morgen dan als een soort bevrijding.
De tweede dag was in feite een formaliteit. Het ontbijt bestond uit biscuit met stroop, doorgespoeld met thee, waarna we op pad gingen. Het bleef droog en het terrein was niet al te moeilijk. Wij hadden zelfs tijd om uitvoerig koffie te drinken, waarbij we maar niet gelet hebben op al  de ongerechtigheden die op het koffiewater dreven en evenmin hebben stilgestaan bij de pet die een van de jongens per ongeluk in de koffie liet vallen.  
 
25 oktober 1947;  Overste van Welzenes, onze bataljonscommandant en beter bekend als Joep, is uit zijn functie ontheven en kwam vanmorgen afscheid van de compagnie nemen. Hij deed dit op een zeer emotionele wijze en liet duidelijk doorschemeren dat hij door de kolonel was weggewerkt.
Ondanks het feit dat ik bezwaren heb tegen ziin privé-leven en de vuilbekkerij waaraan hij zich regelmatig schuldig maakt, ontdek je op zo’n moment toch nog een boel goede eigenschappen en realiseer je je b. v. dat hij recht door zee was, een zeer warm hart had voor zijn soldaten en de inheemse bevolking. Wat hij militair voorstelde ben ik nooit te weten gekomen, aangezien wij nooit in bataljonsverband geopereerd hebben. Hij wenste ons tenslotte “good luck” en God bless you” en waarom zou ik dat ook niet doen?
Nu maar afwachten wie zijn opvolger wordt. Voorlopig zal majoor Koerselman optreden als waarnemend bataljonscommandant en het lijkt mij helemaal niet uitgesloten dat in de vacature niet meer voorzien zal worden. Hoogenraad is sterk bij de huidige situatie betrokken en ik krijg de indruk dat hij hoopt de functie van plaatsvervangend bataljonscommandant te kunnen overnemen. Ik zie dat echter niet zitten, hij heeft teveel vijanden en is wat te gemakkelijk in zijn militair optreden.
De dagen gaan langzaam voorbij en de maand oktober loopt ten einde. We worden regelmatig geteisterd door regen, waardoor het terrein praktisch onbegaanbaar wordt en de patrouilles een nog zwaardere wissel trekken op de jongens. Ondanks dat moeten we nog steeds assistentie verlenen en vandaag zelfs bij 7 R I. dat op zo’n vijftig kilometer van Wiroe is gelegerd.
Ons aantal zieken neemt ook weer toe en bedraagt nu twintig procent, nog weinig in verhouding tot de andere compagnieën. De stemming is enigszins geïrriteerd en dat merk je o. a. aan de bereidheid jongens ter beschikking te stellen voor patrouilles en wachten. Het is toe te juichen dat het kader de eigen mensen zoveel mogelijk wilt ontzien maar dit mag niet ten koste gaan van andere pelotons. Hier tussendoor spelen natuurlijk ook de geruchten over onze demobilisatie, die regelmatig en in allerlei vormen de ronden doen. Sergeant de Vries schreef er in "De Tijger" het volgende over:
 
Demobilisatie.  
 
Demobilisatie, het gesprek van de dag,
Een heftig verlangen en een ongelovige lach,
Massa’s papieren, waar je duiz’lig van wordt,
Optimisten, die zeggen : ‘t duurt nog maar kort....
Brieven naar huis; maak je nog maar niet blij,
In negentien—zoveel hoor je wel eens van mij!
Loze geruchten, waar ieder iets van gelooft
iets van verwacht, tot de hoop wordt gedoofd.
Slechte wegen, patrouilles, urenlange wachten,
Afmattende stilte van de zwoele tropennacht.
Traag—kruipende dagen, geen nieuws in de krant,
Indië een chaos.... steden en dorpen in brand....
En toch blijft het wenken van het kleine verre land

 

In dezelfde"De Tijger" trof ik  een uitvoerig stuk aan over de kris van de Javaan. Ik dacht dat het verhelderend kon werken als ik dar stuk overnam, Hier volgt het: Voor een westerling en vooral voor al degenen die niet in den Archipel zijn geboren en getogen, heeft de kris alleen waarde als een curieus wapen, dat hij gaarne wil bezitten om daarmede als het ware te kunnen bewijzen, dat hij in Indië is geweest".

Voor de .Javaan is de kris het teken van gezag en waardigheid en in het algemeen het teken van den vrije man.
Voor de oorlog zou een gezagsdrager nooit op een officiële gelegenheid verschijnen zonder zijn kris en ook de eenvoudigste dessaman tooide zich vaak met dit wapen bij plechtige gelegenheden. Wanneer hij het had verpand, dan werd het extra voor die gelegenheid ingelost. De meeste krissen ontlenen hun waarde alleen aan de wijze van uitvoering van het materiaal. Er zijn echter een aantal van die wapens in omloop, welke als erfstuk zijn overgeleverd van geslacht op geslacht en als heilig 
( poesaka ) worden beschouwd. Men gelooft dat zij eeuwen oud zijn en de meeste zijn dit ook inderdaad. Zij zijn gemaakt, niet door een gewone smid, maar door een Empoe, die na lang vasten en bidden, contact had gekregen met de geestenwereld en daarna de kris had vervaardigd door het ijzer tussen duim en wijsvinger te vormen. Door deze bewerking bracht hij als het ware de geest over in het voorwerp dat van nu af als bezield geldt. Vooral twee soorten krissen genieten bijzondere roem. Ten eerste de uit het rijk van Pejajaren, die volgens de legende de eerste koning van Java zou zijn geweest en wiens rijk in west—Java gelegen was. Het zou de voorloper geweest zijn van het later (1135 — 1222) zo machtige koninkrijk van Kediri.De krissen welke uit dit rijk stammen, brengen echter, volgens den Javaan onheil aan den bezitter. Deze gedachte leeft ook nog in het in de Preranger gebruikelijke spreekwoord van de “Satan Pejajaren”, Satan is duivel (satan) Uit het in 1293 gegrondveste rijk van Madjapahit stamt een ander soort kris die zeer gewild is en zegenrijk voor den bezitter. Onder de ouden van dagen zijn experts in de beoordeling van de kris, die aan het maaksel kunnen zien in welke tijd en door welke Empoe het wapen is vervaardigd. Zij zien dit hoofdzakelijk aan de lijnen (pamor) in het lemmet, die zij lezen zoals een dactyloscoop de lijnen van de vingers. Voor den eigenaar van zo’n poesaka—kris is zijn bezit een bezield wezen. Met grote zorg en eerbied bewaart hij het kleinood. Elke donderdagavond haalt hij het voorzichtig uit de schede en brengt ermede de heilige groet door het wapen even boven zijn voorhoofd te houden. Daarna houdt hij het wapen boven de pendoepa, het komfoor waarop wierook wordt verbrand en vervolgens bestrooit hij de kris met bloemen, welke zijn bedoeld als een maaltijd voor den geest.
Weer wordt de heilige groet ( sembah ) gebracht, alvorens de kris weer op te bergen in de schede. Eens per jaar, in de maand Ramadan, worden de krissen gewassen in warangan— water, een soort gif, dat gemakkelijk door ijzer wordt opgenomen. Enkele dagen laat men het wapen in dit bad staan. Daarna wordt het met citroensap afgewreven en in de zon gedroogd.
Beroemd zijn de Empoe van Klan en zijn dochter. Klan is een dessa Zuid—Oost van Demak waar hun graf nog steeds door duizenden wordt bezocht en vereerd. Daar vervaardigden zij hun krissen onder bidden en vasten zonder dat er een hamer bij te pas kwam, alleen met hun vingers. Een poesaka—kris zal de Javaan nooit uit handen geven.
Voor ons is het ook van belang te weten, dat deze voorwerpen voor hem een hoge waarde hebben. Wij moeten vermijden den bezitter in zijn gevoelens te kwetsen door het wapen onverschillig te behandelen of zonder noodzaak hem te ontnemen. Integendeel, wij moeten deze gevoelens ook al staan zij ver van onze gedachtegang, eerbiedigen.
Trouwens alleen reeds als familiestuk hebben zij voor den bezitter een waarde, die wij ook kunnen aanvoelen". Semplo
Na dit gelezen te hebben zal ik in het vervolg ongetwijfeld met meer eerbied naar mijn kris kijken.
Wij hebben vandaag zes jongens bevorderd tot soldaat der I e klasse. Het betreft jongens die in de afgelopen periode opgevallen zijn door houding en gedrag Zo’n bevordering is een moeilijke zaak aangezien er jongens bij de compagnie zijn die vinden dat ze meer aanspraak kunnen maken. Misschien is dat ook wel zo, maar is ons dat onvoldoende gebleken. Bovendien moeten wij afgaan op de adviezen van het kader.
Hoogenraad en ik zijn ook nog te gast geweest op een bruiloft van de neef van een onzer loerahs. Gisteren kwam hij vragen of het mogelijk was het bruidspaar met een auto naar de missiepost van Bringin te vervoeren, welk verzoek Hoogenraad heeft ingewilligd.
Als tegenprestatie mochten wij vandaag op het feest aanwezig ziin. Toen wij in de kampong arriveerden was het feest al in volle gang en was men doende met een wajangspel. Dit spel is vrij ingewikkeld en ik snapte er dan ook niets van. Het bestaat voornamelijk uit de wajang ( schim ) en de zielen van overledenen laat men door middel van platte poppen van leer of hout ten tonele brengen. De schaduwen worden geprojecteerd op een scherm, waarachter een lamp is geplaatst. Zo’n wajangspel wordt opgevoerd door een z.g. dalang, die achter een scherm op de grond zit Voor het scherm zitten de toehoorders. Of hier sprake was van een echt wajangspel betwijfel ik. Het kwam allemaal nogal amateuristisch over en de lichteffecten werden m. i. te weinig uitgebuit. Er werd ongetwijfeld geen Hindoese heldensage opgevoerd, maar meer iets geschikt voor "bruiloften en partijen". Na afloop werden we uitgenodigd wat te gebruiken en kregen allerlei gerechten voor— geschoteld, waaronder er waren die ik in het geheel niet kon thuisbrengen. Hoogenraad is op dit punt veel gemakkelijker en kan, onder zulke omstandigheden smakelijk meedoe
Nu ik het toch over hem heb;  hij laat op het ogenblik de zaken wat hangen, schuift ze voor zich uit. Het gaat hier met name over enkele jongens die op het "matje" moeten komen. Er is er één bij waarvan we mogen aannemen dat hij zijn verlof niet heeft doorgebracht in Semarang, maar in Bringin en daar ‘s nachts het bed heeft gedeeld met een van onze baboe’s. Wij zijn geen supporters van dergelijke relaties, maar daar gaat het niet om. Een nacht in een kampong doorbrengen is militair niet verantwoord. Een seintje naar de extremisten is n.l. voldoende om de betreffende man te vermoorden. Zo’n zaak moet je uit oogpunt van preventie, onmiddellijk afwerken.
Waar we ook iets aan moeten doen is de bestrijding van malaria. In ons gebied heerst n.l. malaria—tropica, een van de gevaarlijkste vormen van malaria. Onze dokter heeft dan ook besloten de gehele compagnie een malariakuur te doen ondergaan met een nieuw middel. 
6 november 1947;  Ik heb zojuist het bericht gekregen dat ik aangewezen ben om veertien dagen verlof door te brengen in Batavia. Naar aanleiding hiervan en het feit dat ik colonnecommandant ben van de verlofgangers, heb ik wat informatie ingewonnen bij de staf van de T— Brigade. Het bleek dat we per trucks reizen en de afstand Salatiga — Batavia in twee dagen afleggen, waarbij we in Cheribon moeten overnachten. In Cheribon wordt de colonne in tweeën gesplitst ; één gedeelte gaat n.l. naar Bandoeng, het andere naar Batavia.
 
Batavia 10 november 1947 ; De rit  zit erop. Gisteren zijn we ‘s morgens om vijf uur vertrokken. Alles verliep naar wens en achtereenvolgens passeerden we: Semarang —Kaliwoengoe — Kendal — Weleri — Pekalonga en Tegal, om te eindigen in Cheribon, waar ik me heb gemeld bij de plaatselijk commandant, een overste met een burgemeestersbuikje en een glimmende schedel. Ik kreeg niet de indruk dat hij van onze komst op de hoogte was en onze legering leverde dan ook nogal wat problemen op. Uiteindelijk konden we terecht in een leegstaand schoolgebouw zonder stoelen, tafels en licht. We hebben ons toch maar zo goed en kwaad als het ging, geïnstalleerd waarna ik pogingen in het werk stelde om een maaltijd te regelen. Ook dat was problematisch. Gelukkig liep ik een officier tegen het lijf die ik kende van de opleiding in Breda en hij zorgde voor een, zij het karige, maaltijd.
Vanmorgen om zeven uur zijn we de tweede etappe gestart. De weg even buiten Cheribon bleek zeer slecht, waardoor het tempo aanzienlijk werd vertraagd. Van lieverlee begon de weg te klimmen, kregen we haarspeldbochten en reden akelig dicht langs ravijnen. Rond het middaguur reden we Bandoeng binnen, een stad met een bijna Europees aanzicht, zeker voor wat de villawijken betrof. Na gegeten en gerust te hebben zetten we onze tocht voort en konden we genieten van onvoorstelbaar mooi natuurschoon. Tijd om al dat moois op je te laten inwerken hadden we niet, misschien op de terugweg.
Via Tjandjoer bereikten we Buitenzorg, na eerst een ontzettend steile helling "genomen" te hebben. Onze trucks moesten zich met veel moeite omhoog trekken, wat wel als voordeel had dat wij ondertussen van de natuur konden genieten.
 
‘s Middags om vijf uur bereikten we, smerig en nat, want het was gaan regenen, Batavia, waar ik werd ondergebracht in hotel Galeries, ingericht tot officiersverblijf en gelegen in de nabijheid van het welbekende "Des Indes".
De eerste die ik in het hotel tegenkwam was Jan Rawie, onze vroegere dominee. Hij bleek afgekeurd te zijn en op transport naar Nederland te wachten. Mijn slaapkamer moet ik delen met nog enkele officieren. Het lijken mij geschikte lui. Het zijn ook oorlogsvrijwilligers, zodat wij weten wat we aan elkander hebben.
Ook voor Batavia geldt dat de wereld maar klein is, want ik trof er de volgende bekenden aan ; Majoor Vaessen, commandant van de 1 e compagnie, luitenant Middelkamp, die enige tijd bij ons bataljon gediend heeft en niet te vergeten, de Oosterhoutenaren; Felix v. d. Straeten., Rinus Damen en Riny Mous.
Batavia — waar het erg warm is — doet me denken aan Singapore. Je treft en fraaie villawijken, moderne hotels, kapitale handelsgebouwen en goed geasfalteerde wegen aan, maar ook simpele kampongs, smalle schilderachtige straatjes en vieze kali’s waarin vrouwen de was aan het doen zijn. De bevolking lijkt mij lichter van huiskleur dan die van Midden Java. dat komt waarschijnlijk omdat hier overwegend Soendanezen wonen. Verder valt het op dat er  zoveel Indische Nederlanders in Batavia verblijven en men over het algemeen goed gekleed is. Dat goed gekleed geldt zeker niet voor de militairen die je ziet rondlopen. Soms lijkt het tenue nergens op en je krijgt zo de indruk dat niemand zich daar druk over maakt. Nu moet gezegd worden dat hier veel z. g. kneusjes zijn, dat zijn militairen die afgekeurd zijn en wachten op transport naar Nederland. Aangezien dit gewoonlijk niet direct beschikbaar is moeten zij de tijd maar zien te doden en ik kan me zo voorstellen dat andere dingen belangrijker zijn dan het tenue.  
De dagen hier breng ik veelvuldig door in gezelschap van de Oosterhoutenaren, waarbij we o. a. herinneringen aan de bezettingstijd ophalen. Jan Rawie is inmiddels vertrokken en kan de Kerst thuis vieren. Hij vertelde mij gehoord te hebben dat generaal Spoor zijn ontslag zal aanbieden zodra het K. N. I. L en de oorlogsvrijwilligers zijn afgelost omdat hij geen vertrouwen heeft in de dienstplichtigen. Ik heb nog getracht in de haven van Tandjongpriok in contact te komen met jongens die juist uit Nederland arriveerden, maar werd niet toegelaten.
Waar ik wel werd toegelaten dat was op het erekerkhof Antjol, gelegen op de plaats waar de Jappen Nederlanders hebben geëxecuteerd. Het valt mij op dat er zoveel naamloze doden en enkele vrouwen lagen. Blijkbaar hebben de Jappen hier op dezelfde wijze huis gehouden als bij ons de Duitsers.
 
20 november 1947; We zijn weer terug in Wiroe, waar ik hartelijk begroet werd door o. a. Hoogenraad.
Van de terugreis valt weinig te vertellen, alleen dat ik ontdekte dat Buitenzorg zo’n mooi stadje was. In Cheribon was en natuurlijk weer niets geregeld, zelfs het eten moesten we zelf klaarmaken.
Ondanks het feit dat we in Tegal een lekke band kregen, nog wel door een hoefijzer, waren we vroeg in de middag weer in Salatiga. Amper terug in Wiroe werden we overvallen door het bericht dat we overgeplaatst werden naar de kampong Reksosari.

 De 2e Compagnie die daar gelegerd is, heeft n.l. zoveel zieken dat men niet langer in staat is de hoognodige patrouilles te lopen. Het betreft de compagnie waarbij ook Warmer is ingedeeld en die de laatste tijd nogal wat problemen heeft gekend en dan speciaal op het gebied van de onderlinge communicatie. Wat de legering betreft kunnen we er nooit op achteruit gaan, aangezien de gehele compagnie in tenten wordt ondergebracht wat te prefereren valt boven de "stallen" waarin de jongens nu gelegerd zijn.