zo maar wat herinneringen  deel 4 sept / dec 46

Karanganjar

Het is nu vrijdag 20 september en onze compagnie bevindt zich in kampong Karanganjar, gelegen op ruim 10 kilometer West van Semarang.
Vannacht om drie uur was het reveille en tegen de ochtend rukten we uit om Karanganjar te gaan bezetten. Aan de actie namen meerdere compagnieën, o. a. van de Stoottroepen, deel met de opdracht door te stoten tot enkele kilometers voorbij onze kampong en daar stelling te nemen, teneinde ons in de gelegenheid te stellen een kampement in te richten, zonder daarbij gestoord te worden door extremisten.
De opmars was ontzettend vermoeiend omdat we door sawah's moesten ploeteren en over heuvels en door dalen, waardoor we pas na de middag onze bestemming bereikten. Rust nemen was er echter niet bij, want we moesten onmiddellijk beginnen met het opzetten van de tenten, het maken van stellingen en het aanbrengen van een prikkeldraadversperring Vooral dat laatste was een verschrikking, omdat we niet over handschoenen beschikten en soms tot onze enkels in het water stonden. We zijn te moe om te eten, doch zullen proberen wat te slapen om morgen weer fit te zijn en het kamp verder in te richten. Van slapen is niet veel gekomen, maar we zijn wel wat uitgerust en welgemoed begonnen aan het verbeteren van de stellingen en het kappen van schootsvelden.
Je kunt je natuurlijk afvragen wat het voor zin heeft om 10 kilometer buiten Semarang een kampong te bezetten. Ik dacht dat de beantwoording simpeler was dan je denkt, waarbij ik het militaire nut even buiten beschouwing wil laten. Het is gewoon een politieke kwestie en houdt verband met een eventuele wapenstilstand. Komt die immers tot stand dan hebben we door dit systeem, — er zullen nog meer kampongs rond Semarang bezet worden — een bredere veiligheidsgordel rond de stad en het vliegveld.
We hebben de kampong feitelijk in drie delen verdeeld. Mijn peloton verdedigt de west kant en onze tenten staan in een klapperbomenbosje, lieflijker kan het niet. Het 2e peloton beveiligt de Oostzijde, terwijl het 3e peloton het zuidelijke gedeelte voor haar rekening neemt.
Dat peloton ligt mooi beschermd door een heuvel, van waaruit je een prachtig zicht op het voorterrein hebt.
Noord van de kampong beginnen de visvijvers. Een vrijwel onbegaanbaar gebied en gemakkelijker te beveiligen.
Mijn peloton heeft het moeilijkst te verdedigen vak omdat zich in het voorterrein uitgebreide en droogstaande sawahs bevinden die zich uitstekend lenen voor een aanval op onze posten.
In de kampong staan wat houten huisjes waarin de staf en de verzorging zijn ondergebracht en er bevindt zich zelfs een kleine, stenen moskee. Zo te zien was de kampong allang door de bewoners verlaten. De kampong wordt doorsneden door twee riviertjes niet breder dan een sloot maar met stromend water en daardoor uitstekend geschikt voor sanitaire doeleinden.
Water is er in overvloed want in de kampong bevindt zich een waterreservoir terwijl we elektrische stroom zelf kunnen opwekken. Zo te zien zullen we het wel redden, al dient afgewacht te worden of de extremisten niet zullen trachten Karanganjar te heroveren. Voorlopig bestaat daarvoor m. i. geen gevaar want ze zijn geweldig geschrokken van onze uitbraak en de bezetting van de kampongs Karanganjar en Persilan.
In laatstgenoemde kampong. welke zuid-oost van ons is gelegen, heeft de 4e compagnie een kampement ingericht. Kees Peters is daar een van de pelotonscommandanten.
Vanmorgen dienden zich de eerste mensen aan dit terug wilden keren naar hun kampongs, waartegen wij uiteraard geen bezwaar hadden. Integendeel, het gewone leven moet zo snel mogelijk weer op gang komen, de huisjes moeten worden hersteld, de sawahs bebouwd en de visvijvers weer in gebruik genomen. De mensen zijn opvallend vriendelijk en ik kreeg de indruk dat ze ons meer zien als beschermers dan als vijanden.
Wij zijn inmiddels overgegaan tot de orde van de dag d. w. z. bij toerbeurt op patrouille en wacht. Wij patrouilleren een paar kilometer voor ons kampement en hebben tot heden geen vijanden waargenomen, waardoor we rustig het voorterrein kunnen verkennen.
Er zijn enkele punten die we goed in de gaten zullen moeten houden o. a. de zuidzijde van de grote weg, een sterk geaccidenteerd gebied met veel begroeiing, terwijl zich noord van de weg een paar kampongs bevinden die zich uitstekend lenen om ons van daaruit onder vuur te nemen. Bovendien kun je ze ongezien niet naderen.
Zorgvuldigheid bij voorbereiding en uitvoering van patrouilles is dus geboden omdat het aannemelijk is dat de extremisten, zodra ze van de eerste schrik zijn bekomen, onze patrouilles zullen opwachten.
 
Vandaag was ik weer aan de beurt om een patrouille te lopen. Nog steeds geen spoor van de vijand al vernamen we wel van kampongbewoners dat zij bedreigd waren en de extremisten hen wilden dwingen de kampongs te verlaten en zich terug te trekken in het binnenland.
Overigens neemt de stroom van terugkerende bewoners gestadig toe en soms staan ze 's morgens om een uur of zes al bij onze versperringen met hun hele hebben en houden. Dat is niet veel;  wat schamele bezittingen, kippen, soms geiten.
Waar ze wel mee gezegend zijn is blijmoedigheid, vriendelijkheid, vertrouwen in een betere toekomst. Ze willen op allerlei manieren hun dankbaarheid tonen, een vrouw ging zelfs zover dat ze zich aan Piters meende te moeten aanbieden. Ze was kennelijk zeer teleurgesteld toen Piters, vriendelijk maar gedecideerd, haar aanbod afsloeg .De dankbaarheid kan ook te ver gaan.
Als je deze gewone mensjes ziet dan word je gesterkt in je overtuiging dat wij voor een goede zaak vechten en niet wij, maar Soekarno en zijn kliek, de opbouw van Indië in de weg staan.
In Nederland zijn er die daar anders over denken, getuige de uitlatingen van generaal Kruls dat er verschillende militairen zijn die niet terugkeren van inschepingverlof en onderduiken.
Dat dit voorkomt kan ik ergens wel begrijpen omdat je toch wel uitstekend gemotiveerd moet zijn om hier je leven "voor koningin en vaderland" op het spel te zetten. Allebei de componenten van deze leuze kun je immers ter discussie stellen en voor jezelf inschatten. Voeg daarbij nog de wildste geruchten die de ronden doen en het ondoordachte regeringsbeleid en de grote twijfel is gezaaid, waardoor het niet vreemd is dat sommigen tot de conclusie komen dat vrouwen en kinderen belangrijker zijn dan het herstellen van orde en vrede in Indië.
Ondertussen treffen we in de verlaten kampongs in het voorterrein van alles aan. Het in verre staat van ontbinding verkerend lijk van een oude man. Grote, door de extremisten achtergelaten, voorraden rijst, loslopende kippen en eenden, half verwilderde honden en katten, waarbij het opvalt dat de katten allemaal een kort staartje hebben en een paard.
De oude man hebben we laten begraven, de rijst afgevoerd naar Semarang, de kippen en eenden ondergebracht in de kippenkooi van onze kampong, enige honden laten adopteren door de jongens en het paard toevertrouwd aan een van onze onderofficieren die met paarden overweg kan. Ongetwijfeld draagt de aanwezigheid van al die dieren bij tot het leefbaarder maken van ons kampement. We hebben ook wilde varkens ontdekt en geschoten. Het vlees smaakt uitstekend. Apen moeten er ook zijn maar die hebben we nog niet kunnen ontdekken.
Wie we inmiddels wel weer ontdekt hebben is de vijand. Ze hebben in ons voorterrein getracht een bruggetje op te blazen. Gelukkig zijn ze daarin maar ten dele geslaagd en blijft het bruggetje bruikbaar, zelfs voor lichte auto’s. Een peloton van onze compagnie heeft ze op de vlucht gejaagd met achterlating van enkele karabijnen. Bij deze patrouille is het grote nut gebleken van onze nieuwe camouflagepakken, waardoor het mogelijk was ongezien vrij dicht te naderen en de vijand te verrassen. Van die uniformen kunnen we nog veel plezier hebben vooral nu blijkt dat de vijand van de schrik aan het bekomen is. Vanmorgen troffen wij bij onze stellingen een oude man aan, die zich tot onze post had gesleept en daar, volkomen uitgeput, was neergevallen. We hebben hem verzorgd en laten eten en drinken. Daarna was hij weer in staat zijn tocht voort te zetten. Vooral de ouderen hebben blijkbaar veel vertrouwen in ons, misschien begrijpelijk omdat we alles doen hen te helpen. Zo hebben we vandaag b. v. meubilair uit een onbewoonde kampong opgehaald en verdeeld onder de mensen die naar hun kampongs zijn teruggekeerd. Het was compleet feest toen iedereen zijn deel kreeg. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt de Loerah (kamponghoofd) te laten zeggen dat ik van hem verwachtte dat hij in de kortste keren zijn kampong weer prima in orde heeft
Uiteraard beloofde hij dat. Of hij het meende is vers twee, maar dat is een zaak die niet door ons maar door de ambtenaren van het Binnenlands Bestuur gevolgd moet worden.
 
Vandaag hebben we het al eerder aangekondigde bezoek van enkele generaals, waaronder generaal Doorman," verwerkt". Piters was zo slim ze eerst onze" knobbel "(heuvel ) te laten beklimmen, waarna ze min of meer uitgeteld weer naar Semarang zijn teruggekeerd. Over bezoek hebben we toch geen klagen. Zo hebben enkele heren van het Binnenlands Bestuur hun opwachting gemaakt en komt de kolonel, soms vergezeld door zijn vervanger, regelmatig op inspectie. Laat de kolonel nu tot de conclusie komen dat, als de west— moesson begint, een gedeelte van onze stellingen onder water zal lopen. Dat had hij als K. N. I. L man wel eens eerder kunnen vertellen. Ongetwijfeld heeft hij gelijk want we hebben ook sloten benut om daarin stellingen te bouwen. Wisten wij veel!!!
De vervanger van de kolonel vind ik maar een raar mannetje. Hij loopt gewoonlijk in een korte broek en komt amper boven zijn broek uit. Niet erg, maar hij heeft ongelooflijk veel pretenties en meent alles beter te weten, zelfs over onze kippen. Aangezien deze, alhoewel ze nog geen eieren gelegd hebben, heilig zijn, hebben wij zijn opmerkingen niet in dank aanvaard en doorgespeeld naar de redactie van "De Tijger", die er ongetwijfeld copy in zal zien. Waarom menen die kleine mannetjes zich altijd en overal te moeten waarmaken?
Hij steekt wel zeer ongunstig af bij de kolonel, een rustige, bescheiden man, beminnelijk en voorkomend. Bovendien kan men hem, tijdens acties, steeds bij de voorste troepen aantreffen, iets wat vooral de jongens zeer in hem waarderen.
Over acties gesproken, vandaag 2 oktober, heeft mijn peloton, versterkt met een sectie van het 3e peloton o. l. v. de vaandrig Warmer, weer slag moeten leveren met extremisten.
Wij hadden opdracht een vijandelijke post op te ruimen in de kampong Mankang-Weten/ Koelon, een vrij grote kampong gelegen aan de uiterste westgrens van ons gebied. We vertrokken om 09.30 uur en lieten ons per truck een eind het voorterrein inrijden om daarna door het terrein onze weg te vervolgen, behoedzaam en gespannen. We behoefden niet lang in het onzekere te blijven want al spoedig werd de vijand gesignaleerd, goed geüniformeerd en voorzien van helmen. Ik besloot twee secties o.1.v. Warmer, zo snel mogelijk, doch gedekt, door het terrein ten zuiden van de verharde weg te laten oprukken en daarna een linkerflankaanval te doen uitvoeren. Onderwijl zou ik met twee secties de aandacht van de vijand bezig houden, vijandelijk vuur binden en langzaam noord en zuid van de verharde weg voorwaarts gaan.
Ondertussen had de vijand ook ons waargenomen en opende mortier— en karabijnvuur op mijn secties. Wij beantwoordden het vuur, doch gingen behoedzaam voorwaarts, ondanks het feit dat het vijandelijk mortiervuur goed was gericht en twee jongens zelfs door rondvliegende scherven licht gewond werden.
Even later hoorden we dat ook de secties van Warmer onder vuur werden genomen. Warmer liet een hevig tegenvuur afgeven en kon bereiken dat de vijand terug moest trekken, echter met achterlating van een dekkingssectie, die dit wel met de dood moest bekopen. We kregen contact met de sectie van Warmer en ik besloot te laten consolideren en verkenningen te doen verrichten. De vijand werd niet meer waargenomen, wel telden we bij het doorzoeken van het terrein tien doden, benevens karabijnen, munitie, uniformen, helmen en papieren.
Het gevecht had twee uur geduurd en dat er hevig aan toe gegaan was, moge blijken uit het feit dat door ons 930 brenpatronen, 535 geweerpatronen, 263 stenpatronen en 16 mortiergranaten werden verschoten, waarbij ik wel wil opmerken dat ik bij dergelijke acties niet zuinig op munitie ben en b. v. de bren—groepen veel bevoegdheden heb gegeven.
 
Als ik me niet vergis was het vandaag de vuurdoop van de vaandrig Warmer, een vuurdoop die hij uitstekend heeft doorstaan. Hij zal het wel redden, omdat hij bewezen heeft niet bang te zijn.
Ik moet altijd nog vermelden dat onze brigade uitgebreid is met het 2e Eskadron Pantserwagens oftewel de "Huzaren van Boreel". Ingezet zijn ze nog niet., omdat hun wagens eerst van de nodige uitrusting moeten worden voorzien. Alhoewel dit eskadron niet over zwaar materiaal beschikt, zal onze gevechtswaarde ongetwijfeld toenemen. Hun wagens zijn immers uitstekend geschikt om de infanterie te ondersteunen. Ze zijn gepantserd, goed wendbaar, snel verplaatsbaar. Het door het terrein verplaatsen zal moeilijk te realiseren zijn, maar zij kunnen ons vanaf de verharde weg ondersteunen en dekken. Ik zie dan ook met spanning onze eerste gezamenlijke actie tegemoet.
Overigens heeft de naam "Huzaren van Boreel" de jongens aanleiding gegeven er de letter d aan toe te voegen, zodat ze in het spraakgebruik omgedoopt zijn tot "Huzaren van Bordeel", wat zo’n "deetje" kan doen. Op taalgebied maken we ook nog andere dingen mee, zodra het Brabants dialect gebezigd wordt.
Zo doet het verhaal de ronde dat een hoge functionaris Semarang bezocht en ook een bezoek bracht aan een van onze voorposten waar hij de op wacht staande soldaat vroeg: "En jongeman, bevalt het je hier nogal?". De "jongeman" bleef strak voor zich uitzien en antwoordde in zijn beste Brabants:" k Hènouw gin tèèd veur klespraotjes ‘kstaon op post". Vannacht was ik weer officier van piket en heb dientengevolge de nacht wakend doorgebracht Ongelooflijk wat is het hier toch moeilijk ‘s nachts wakker te blijven en ik moet alles verzinnen om niet in slaap te sukkelen.
Piters helpt me soms daarbij. Hij kan slecht slapen, komt van ellende maar uit bed en houdt mij gezelschap.
Bovendien komen onze uitkijkposten regelmatig in de lucht b.v. als zij lichtkogels waarnemen. Dat doet me dan weer denken aan de winter 1944/1945 toen de Engelsen aan de ene kant en de Duitsers aan de andere kant van de Maas zaten en er veelvuldig lichtkogels werden afgeschoten gevolgd door ratelende mitrailleurs.
Die lichtkogels geven hier in dit geaccidenteerde en beboste terrein de gekste effecten zodra ze gaan afdrijven. Overal ontstaan de vreemdste schaduwen en menig soldaat wordt in verwarring gebracht en denkt dat het terrein vol vijanden zit, begint te schieten en brengt heel de compagnie in rep en roer. Daarom zuinig met lichtkogels.
 
Vandaag heb ik, via de bataljonscommandant, een schrijven ontvangen van de brigadegeneraal waarin hij, naar aanleiding van mijn patrouilleverslag van 2 oktober 1946, het volgende vermeldt ; „Uit bovengenoemd rapport, dat ik met voldoening heb gelezen, blijkt mij, dat de reserve 2e luitenant A. Verhulst zich bij de patrouille een goed en beleidvol aanvoerder heeft getoond. Ik verzoek U dit aan betrokkene mede te delen". Aangezien de kolonel niet zo kwistig is met het doen blijken van voldoening zeker niet schriftelijk, lijkt mij dit schrijven belangrijk genoeg om te bewaren voor het familiearchief, waarbij wel aangetekend dient te worden dat de actie alleen kon slagen dankzij de inzet van de jongens en niet te vergeten van Willem Warmer, de man die de flankaanval moest leiden. Piters en ik zijn er vanavond even tussenuit geknepen en hebben een bioscoopje gepikt in Semarang. Onderweg van Karanganjar naar Semarang voelde ik me blij toen ik zag wat er zoal gebeurd was in de kampongs die wij bevrijd hadden. Deze waren weer bewoond en opgeknapt, de bevolking had nieuwe kleding en zag er keurig en fleurig uit, was vriendelijk en voorkomend. Ik dacht dat, ook al doen we verder niets goeds meer op Java, we in ieder geval kunnen zeggen dat we deze mensen weer gelukkig hebben gemaakt en daar gaat het in feite toch om.
 
Het is nu 7 oktober en we hebben een zeer onrustige nacht achter de rug Wat er precies gaande is geweest weet ik niet, maar er is onnoemelijk geschoten door de extremisten. Met karabijnen, mortieren en mitrailleurs is er op los geknald en dat op slechts enkele kilometers van ons kamp. Op wie er geschoten is, zal altijd wel een raadsel blijven want wij hadden geen patrouille in het voorterrein. De enige verklaring die ik kan geven is dat zij dachten dat wij ons wel in het voorterrein bevonden, in paniek zijn geraakt en als razende zijn gaan schieten. Laten we hopen op elkaar.
Piters is vanmorgen met een peloton, versterkt met drie gevechtswagen uitgerukt om polshoogte te gaan nemen. Ik was vooral benieuwd naar de ervaringen met de gevechtswagens.
Die vielen niet mee aangezien weer bleek dat ze in feite alleen op de verharde weg kunnen opereren. In het terrein zijn er teveel obstakels waardoor ze praktisch niet kunnen manoeuvreren. Bovendien zullen wij nog moeten leren gezamenlijk te opereren.
Dominee Koningsbergen van de regeringvoorlichtingdienst heeft ons met een bezoek vereerd. Hij maakte de indruk zichzelf hoogst interessant te vinden, maar dit even terzijde. Het nieuws dat hij vertelde was weinig opwekkend en ik meen er uit te kunnen opmaken dat ons verblijf hier nog wel een jaartje kan duren, een ontmoedigend idee.
Gelukkig werkt de Commissie—Generaal aan de totstandkoming van een vergelijk met de republiek. Een van de zaken die daaraan vooraf moet gaan is ongetwijfeld een wapenstilstand, dit teneinde een beter onderhandelingsklimaat te scheppen. Mocht dit lukken dan zie ik de toekomst toch niet zo somber in.
Ondanks een mogelijke wapenstilstand zijn de extremisten zeer vervelend en terroriseren ze de bewoners uit de kampongs gelegen in de frontlinie.
 
Vanmorgen moest ik met mijn peloton uitrukken naar aanleiding van een melding dat extremisten een kampong aan het platbranden waren. Er bleek inderdaad een brand te zijn, doch van de vijand ontbrak ieder spoor. Amper terug in ons kampement kwam er een nieuwe melding, nu dat de extremisten tegen de bewoners hadden gezegd dat, indien zij de kampong niet ontruimden en zich niet aan hun zijde schaarden, de kampong vernietigd zou worden. We hebben nu maar besloten de mensen te evacueren en onder te brengen in een kampong achter de linies. We zullen daarvoor trucks ter beschikking stellen.
Vannacht troffen we een jongen van een jaar of zestien bij onze versperringen aan.
Hij deed een heel aandoenlijk verhaal en vertelde o. a. dat hij op weg was naar Semarang waar zijn moeder verbleef. Hij kwam uit extremistisch gebied en verbleef daar met zijn vader, die gescheiden van zijn moeder leefde. Een geloofwaardig verhaal.
Hij had echter de pech dat een van de Javanen die bij ons werkt hem herkende en zei dat de jongen een spion was. Hij bleek, na ondervraging van de knaap, gelijk te hebben.
Het verhaal was volledig verzonnen en zijn taak was het inwinnen van inlichtingen over onze posities. Dom dat die jongen ‘s nachts trachtte te passeren. Zou hij het overdag gedaan hebben dan zou hij ongetwijfeld gewoon door de controle gerold zijn.
Geluk voor ons want onze tolk, sergeant van Kempen, slaagde erin waardevolle informatie over de vijand los te werken.
Wij gaan door met het versterken van ons kampement en we hebben er zelfs een anti— tankwapen bij gekregen in de vorm van een "Oerlikon". Een prachtwapen waarmede we de voor onze stelling liggende sawah's uitstekend kunnen bestrijken. Ik heb al meer gezegd dat ons westfront zeer kwetsbaar is en indien de extremisten een gepantserd voertuig inzetten men tot op enige honderden meters ons kamp zou kunnen naderen en het gedeelte waarin mijn peloton is gelegerd, platschieten.
 
Vandaag,. 12 oktober, hebben onze trucks — we hebben er tien ingezet — de gehele dag over de weg geraasd om de evacuerende bevolking achter onze linies in veiligheid te brengen. Duizenden kilo’s rijst kwamen te voorschijn, zelfs karbouwen werden meegevoerd. Er waren er ook bij die hun schamele bezittingen met een juk konden vervoeren, dat ware de armste, ik zou willen zeggen, de bezitlozen. Ellendig als je je kampong moet verlaten maar er is geen andere oplossing. Ongetwijfeld zullen deze mensen opgevangen worden door onze bestuursambtenaren.
 
Vandaag, 14 oktober, zijn we één jaar van huis, een goede gelegenheid er even bij stil te staan en de balans op te maken. Als ik dat doe dan moet ik in zijn algemeenheid stellen dat de balans vele negatieve posten oplevert. We hebben bij ons bataljon immers acht doden te betreuren, waaronder Sjaak Fick en Veldman, mensen die mij zeer nabij waren en vele gewonden waarbij ik speciaal denk aan Piet Jansen, Ferd Nota en Cor Farla.
We werden door de Engelsen maandenlang op Malakka vastgehouden, waardoor hier het extremisme kon opleven en zich organiseren en kregen pas in maart 1946 wat bewegingsvrijheid na onze landing in Semarang. Eerst sedert we de gordel rond Semarang hebben uitgebreid kun je zeggen dat we zinvol bezig zijn met onze taak n.l. het herstellen van orde en vrede in dit prachtige land, een land dat een feest is van kleur, geur en licht, maar ook van stilte en verstilling en dat bewoond wordt door mensen vol levensblijheid en met een innerlijke beschaving waaraan wij, westerlingen, niet kunnen tippen. Een land waard om voor te vechten en er gezamenlijk, d.w.z. Nederlanders en goedwillende Indonesiërs, een klein "paradijs" van te maken.
Over het paradijs gesproken;  het verschil tussen het paradijs en de hel is blijkbaar een kwestie van een misstap. Dat meen ik althans te mogen concluderen uit een toespraak van Henri de Greeve over de zedeloosheid van onze troepen in Indië.
Hij trekt zelfs een vergelijking met de blanke slavinnen uit de Romeinse tijd en het ontbrak er nog maar aan dat hij Cleopatra niet ten tonele voerde. Ik kan me zo voorstellen dat de doorsnee huismoeder nu de overtuiging heeft dat haar zoon een liederlijk leven leidt en daaraan onherroepelijk ten onder zal gaan.
Zo erg is het nu ook weer niet, al is het gevaar hier ongetwijfeld groter dan bij moeder thuis. Bovendien straft het hier in de fout gaan zich eerder af dan in Europa i.v.m. het besmettingsgevaar. Toch leidt het fulmineren van de Greeve ook nog tot iets positiefs n.l. dat de aandacht gevestigd wordt op het ontbreken van voldoende ontspanningsmogelijkheden.
Bezorg de jongens meer zinvolle ontspanning, geef ze verlof. Laat meer blijken dan nu het geval is, dat in Nederland aan hen wordt gedacht o. a. door het schrijven van brieven en het sturen van pakketjes en de "zedeloosheid" zal afnemen.
Wij, het kader, kunnen uiteraard op ons niveau ook iets doen n.l door het scheppen van een ontspannen sfeer en niet te vergeten door zelf het goede voorbeeld te geven en beschikbaar te zijn voor het geven van goede raad.
 
De nacht valt reeds maar niemand slaapt want er is iets bijzonders gebeurd;  de wapenstilstand is een feit.
Zojuist is het bericht binnen gekomen, een bericht dat zeer veel voor ons kan betekenen. Het kan immers ons verblijf in de tropen aanzienlijk verkorten, bovendien hebben we nu meer kans om "onbeschadigd" naar Nederland te kunnen terugkeren. De grote vraag is echter of de "republiek" haar troepen, of beter gezegd bendes, voldoende onder controle heeft om het "cease fire" na te leven. Het zou toch wel aller ongelukkigst zijn om tijdens een wapenstilstand in de vernieling te worden geschoten.
Wij zullen in ieder geval naar de letter en de geest van de wapenstilstand overeenkomst handelen en b. v. in het vervolg slechts tot twee kilometer voor ons kampement, patrouilleren, wat echter tot gevolg heeft dat we Mangkan—Weten, de mooie kampong waarvoor we zo hebben gevochten, prijs moeten geven. Voorts zullen we onze patrouilles, die in principe maar uit tien man bestaan, instrueren schermutselingen, zeker rond de "demarcatielijn", te vermijden.
We zijn daardoor wel wat kwetsbaarder maar houden steeds voldoende mensen achter de hand om in tijd van nood bij te springen. Dit laatste hebben overigens onze huzaren ook al aangeboden. Ze brachten vanmiddag met hun vechts— en verkenningswagens een bezoek aan ons kamp en zegden toe, ik zou bijna zeggen uiteraard, onmiddellijk te komen assisteren indien nodig Aardige lui die huzaren. Voornamelijk oorlogsvrijwilliger met officieren die, overeenkomstig de traditie van de cavalerie, van betere huize zijn.
 
Vandaag, 18 oktober, hebben we, voor het eerst na het afkondigen van de wapenstilstand, weer contact met de extremisten gehad en wel op een heel ongebruikelijke manier. Rond de middag naderden zij met een man of tien onze stellingen tot op zeshonderd meter. Tiraillerend kwamen zij noord en zuid van de spoordijk in onze richting.
We vonden dat zeer vreemd, lieten alarm slaan en brachten onze pelotons in stelling met uitzondering van één sectie die we naar voren stuurden waarna de extremisten langzaam terugtrokken, zonder een schot te lossen.
Onze sectie loste enige schoten in de lucht wat voor een van de extremisten aanleiding was zijn handen in de hoogte te steken en de terugweg te vervolgen.
Onze sectie achtervolgde hen tot bij de demarcatielijn en nam stelling. Verder gebeurde er niets.
Je kunt in zo’n situatie die lui wel neerknallen maar dat is zinloos en vertroebelt de sfeer. Bovendien willen wij aannemen dat deze lieden zich in de demarcatielijn vergist hebben en dit pas ontdekten toen zij onze stellingen waarnamen. Het pleit voor hen dat ze niet in paniek zijn geraakt en als wilden zijn gaan schieten.
 
Overigens hadden we vandaag, 19 oktober, weer een incident rond de demarcatielijn en werden er schoten gewisseld waarbij waarschijnlijk een extremist werd geraakt. Een vervelende zaak waarover gerapporteerd moet worden teneinde enig inzicht te krijgen over het naleven van de wapenstilstand. Wat er precies gaande is, is niet duidelijk. Zijn ze te dom of lokken zij incidenten uit?
Ondertussen begint de natte moesson zich aan te kondigen, een reden om hard te werken aan de versteviging van onze stellingen. Voor alle zekerheid worden er ook barakken gebouwd om, indien nodig, de jongens onder te brengen.
Voor ons, de officieren, wordt een houten huis in gereedheid gebracht. Een vrij grote woning welke voldoende ruimte biedt om iedereen een slaapkamer te geven en een zitje voor gezamenlijk gebruik in te richten. Bovendien bevindt zich aan de noordkant een prachtige waranda met uitzicht op de sawahs en de visvijvers en... ons kippenhok. Over kippen gesproken;  Het was ons al langer opgevallen dat de eierenproductie veel te wensen overliet, althans dat dachten wij. Nu is echter gebleken dat wij onze kippen vals beschuldigd hebben. De eieren werden wel degelijk gelegd, echter niet in het hok maar in de tenten van de jongens van mijn peloton. Zij lokten de kippen in hun tenten en gaven ze te eten. Als tegenprestatie deponeerden de kippen de eieren dan op de veldbedden. Je moet maar op de idee komen!!
Over het algemeen is de stemming onder de jongens nog steeds goed al moet ik toegeven dat Felix v. d. Straeten zwaar de pest in heeft omdat zijn collega’s allemaal bevorderd worden tot sergeant—majoor en hij niet.
Piters heeft gemeend hem niet te moeten voordragen omdat, naar zijn opvatting, de wijze waarop Felix de administratie voert veel te wensen overlaat, zijn tenue gewoonlijk niet is om naar huis te schrijven en hij de "krijgstucht" aan zijn laars lapt. NelIis Smits heeft op dit laatste punt wel iets weg van Felix. Bovendien is Nellis zeer vrijmoedig in zijn omgang met iedereen, ongeacht rang of stand. Dit wordt niet steeds in dank aanvaard en geeft problemen met enkele officieren, zo erg zelfs dat hij er de voorkeur aan heeft gegeven een andere functie te vragen. Zijn verzoek is uiteraard ingewilligd en hij is, als "oppasser”, opgevolgd door Werson, een bescheiden Limburgse jongen.
 
Vandaag hebben we onze kantine, een omgebouwde kampongschool, in gebruik genomen. Dankzij de jongens ziet het er gezellig en genoeglijk uit en zij hebben aangetoond dat je met bamboe alles kunt verfraaien.
Piters heeft "Jachtlust", zo heet onze kantine, in aanwezigheid van vele gasten geopend. De jongens van de compagnie hadden een revue ingestudeerd luisterend naar de naam "Schots en Scheef "; een mengelmoes van sketches, muziek, grappen en grollen. Vooral "de Witte", een knaap van het 3e peloton, ontpopte zich als een rasconferencier en deed de aanwezigen menigmaal schudden van het lachen, terwijl zijn tegenspeler Arie een waardig comparant bleek. Er werd menige steek gegeven en onnodig te zeggen dat alles wat de jongens op hun hart hadden eruit werd geflapt.
Ook wij, de officieren bleven niet achter en speelden een kort stukje, waarin het bijgeloof een grote rol speelde. We kregen er zelfs applaus voor. Er bleken ook enkele verdienstelijke gitaristen onder de jongens te zitten en zelfs een telepaat en tapdanser in de vorm van Spoor uit Geertruidenberg ontbrak niet. Een geslaagde opening en een aanleiding voor de jongens om op de ingeslagen weg voort te gaan. Dit soort dingen houdt het moreel van de troep op peil en bezorgt hen de zo broodnodige afleiding
 
Piters is vandaag nog meer op de voorgrond getreden n.l.. door een bekendmaking van generaal Spoor voor te lezen, waarin deze de oorlogsvrijwilligers bedankt voor het feit dat zij het mogelijk hebben gemaakt dat duizenden mensen nu weer vreedzaam in hun kampongs kunnen leven. Een eerste blijk van waardering voor de in Nederland blijkbaar door velen verguisde oorlogsvrijwilligers. Beter laat dan nooit zullen we maar denken.
Ook Bendik was vandaag aanwezig. Hij heeft., wat functie betreft, inmiddels stuivertje gewisseld met zijn boezemvriend Jan Hendriks, die overigens naar Batavia is vertrokken voor een uitgebreid medisch onderzoek aan zijn knie. Jan is vroeger een niet onverdienstelijk voetballer geweest, waarbij zijn knie niet ongeschonden uit de voetbalwedstrijd is gekomen.
Ferd Nota is ook nog steeds in de lappenmand en ik denk dat ze hem beter naar Nederland kunnen afvoeren omdat daar veel meer mogelijkheden zijn en het genezingsproces ongetwijfeld vlotter zal verlopen. Hoe het ook zij, ik zie hem niet meer terug bij de troep en het is voor mij nog de vraag of hij niet blijvend gehandicapt wordt. Dat kan voor hem een zeer vervelende zaak worden want hij wil in militaire dienst blijven. Ik ben inmiddels op bezoek geweest bij onze 4e compagnie, gelegerd in de kampong Persilan. Zij zijn belast met de verdediging van het gebied dat zuid—oost van Karanganjar is gelegen. Zonder overdrijving; ons kamp is veel beter en gezelliger ingericht.
Ik ontmoette er ook Kees Peters, een van de weinige jonge officieren die nog pelotons— commandant is.
Het is ondertussen wel duidelijk dat niet iedere officier geschikt is om een troepenfunctie te vervullen en zeker niet onder de omstandigheden zoals wij die sedert de landing in Semarang meemaken
 
Vandaag, 24 oktober, hebben we een uitstapje gemaakt naar de "Karel Doorman", die bij Semarang voor anker ligt. We werden met een landingsvaartuig naar het schip vervoerd en daar begroet door enkele officieren die ons rondleidden.
Het schip, dat blijkbaar omgebouwd is, net er wat plomp uit maar is uitstekend bewapend. Het is ons enige vliegdekschip, waarop we echter geen vliegtuigen aantroffen, uitgezonderd het laatstelijk verongelukte toestel dat niet meer te herstellen is. Het landen op zo’n schip is een hachelijke zaak, vooral bij slecht weer.
Bovendien is de landingsbaan zeer kort, iets wat men tracht te compenseren door via een soort remsysteem het landende toestel af te remmen.
Weer teruggekeerd in ons kampement zetten de extremisten ons opnieuw voor een raadsel. Een van hen passeerde n.l. op een fiets de demarcatielijn en begaf zich op ons gebied. Een onzer patrouilles, die zich juist in het voorterrein bevond liet hem rustig zijn gang gaan, vond het op een gegeven moment welletjes en nam hem gevangen.
Het bleek een ordonnans van de T. N. I. te zijn die bij zijn ondervraging verklaarde niets af te weten van een wapenstilstand. Wat moet je daar nu van denken ? Wij zijn blijkbaar de enige partij die zich aan de spelregels houdt. Zou de communicatie bij de tegenpartij zo slecht zijn dat men de troepen aan het Semarangfront niet eens heeft ingelicht? Onze jongens worden blijkbaar wat nerveus door deze onzekere toestand want gisterenavond werd er duchtig met een mitrailleur geschoten, zonder dat er m. i. een vijand te bekennen was.
Er zal ongetwijfeld wel iets in het voorterrein aan de hand geweest zijn, maar ik houd het voorlopig op wilde zwijntjes die rond de versperringen aan het vervelen waren. Ons kampement staat in Semarang blijkbaar bekend als modelkamp, want we krijgen regelmatig lieden op bezoek om het te bewonderen.
 
Vandaag liep het uit de klauwen aangezien zeker honderd man aan deze "excursie" deelnam.
Van ons, de officieren, wordt verwacht dat wij als rondleiders optreden en dat kan tot gevolg hebben dat je per dag enkele malen onze heuvel op moet om het voorterrein te laten bewonderen. Voorts moet je natuurlijk alles doen wat je van een gastheer mag verwachten. Piters, die momenteel zwaar onder druk van de bataljonscommandant staat, kan tegen die drukte niet op en overweegt er op een of andere manier een stokje voor te steken.
 
Wij kampen op het ogenblik weer met malaria en één van de slachtoffers is Roki. Los van de malaria valt het toch op dat de jongens niet in al te beste conditie zijn. Waarschijnlijk nog een reactie op de achterliggende spannende maanden. Ook de Stoottroepen en 13 R I. schijnen met dit probleem te kampen. Begrijpelijk als je je realiseert dat zij het zwaar hebben moeten ontgelden, wat o. a. tot uitdrukking komt in het dodental. Aan hun front is de vijand veel fanatieker dan bij ons en zij zijn dientengevolge gedwongen veel grote acties te voeren, acties die uiteraard meer risico’s opleveren dan pelotonspatrouilles.
Zo’n peloton kun je overzien, bovendien kan je alle gevaarlijke obstakels in je eigen gebied als je broekzak en weet je waar je op de vijand kunt stoten. Daarop kun je bijna een draaiboek maken.
Ik besteed ook nog steeds veel aandacht aan de voorbereiding van de patrouilles, ook al gaat er maar één sectie op pad en behoef ik zelf niet mee. Laat ons nu aan het einde van de maand toch nog een gewonde hebben. Niet tijdens een actie, maar gewoon omdat zijn auto in brand vloog en hij daarbij zware brandwonden opliep. Gelukkig laat het zich aanzien dat hij het wel zal overleven.
 
Vannacht was het weer zeer onrustig in het voorterrein. De extremisten zijn als gekken aan het schieten geweest. Op wie is ook nu weer niet duidelijk,, zeker niet op onze stellingen, mogelijk op kampongbewoners, misschien op niemand, dat weet je bij die kerels nooit. Piters kreeg het er wel van op zijn zenuwen en kon natuurlijk niet slapen. Een van de gevolgen daarvan was dat hij vanmorgen niet mals was bij het uitdelen van straf.
Nellis Smits kreeg 10 dagen streng omdat hij onbeschoft was opgetreden, terwijl een korporaal zelfs 14 dagen aan zijn broek kreeg. Later bleek mij dat de man volkomen onschuldig was, maar toegegeven had om van Piters af te zijn. De korporaal was laaiend, maar toen hij wat gekalmeerd was, ben ik met hem naar Piters gegaan en hebben we de zaak uitgepraat. Piters was aanvankelijk niet te bewegen de straf in te trekken, maar was uiteindelijk toch zo sportief om zijn ongelijk toe te geven. Het vervelende is dat hij zich zo’n voorval ontzettend aantrekt, want in zijn hart is het een goede vent die het beste met de jongens voor heeft. Hij brengt het echter verkeerd en soms heb ik medelijden met hem omdat hij zo slecht door de jongens begrepen wordt.
De extremisten hebben onze zondag ontwijd en verstoord door artilleriegranaten op ons kampement af te vuren. Ik neem althans aan dat dat de bedoeling was, al vielen de granaten overal behalve in ons kamp.
Begrijpelijk schoot deze aanval bij ons in het verkeerde keelgat en via de bataljons— commandant hebben we de hulp ingeroepen van onze artillerie, die maar liefst 140 granaten afvuurde op de vijandelijke stelling. De perfectie van onze artillerie kennende neem ik aan dat dit de laatste keer is dat men ons stoort, verder acht ik het niet uitgesloten dat de vijandelijke artilleristen nu van de "eeuwige rust" genieten.
Overigens wordt door de ”Republiek” stelselmatig ontkend dat men de wapenstilstand schendt. Een van hun generaals, een zekere Soediman, die in Batavia vrij rondloopt met een eigen gewapend escorte, noemt ons de grootste boosdoeners. Je moet maar lef hebben en een grote mond durven opzetten. Wij kunnen daar weinig tegen doen omdat de Engelsen nog steeds ons beleid uitmaken en afdoend ingrijpen beletten.
Gelukkig verdwijnen ze na 30 november a.s. en worden wij weer baas in eigen huis. Ik vind dat die Engelsen onze taak ontzettend vertroebeld en verziekt hebben.
Indien wij direct na de capitulatie van Japan hadden kunnen ingrijpen was de Indië-affäire al lang opgelost, zouden we nu vreedzaam naast elkaar kunnen leven en hadden we geen of weinig slachtoffers gehad.
Doordat wij niet in Indië werden toegelaten konden de extremisten zich organiseren en bewapenen en grote onrust zaaien onder de gewone kampongman, die nu tussen twee vuren zit en niet weet welke kant hij moet kiezen.
Ondertussen wordt er wel aan een overeenkomst gewerkt.
Dr. van Mook heeft zelfs aan een correspondent van Reuter verklaard dat het Indische vraagstuk "zeer dicht bij een oplossing is". Hij is zo optimistisch omdat de laatste bijeenkomst van de Nederlandse Commissie Generaal, waarvan hij een van de vier leden is en vertegenwoordigers van de Indonesische Republiek, zeer hoopvol is verlopen.
Volgens Dr. van Mook zijn er slechts een klein aantal punten waarover men het niet geheel eens is en betreft het meer aangelegenheden van vorm dan wel van inhoud.
Alle welingelichte kringen — Indonesische — Nederlandse en Britse — zo las ik in het dagblad van Semarang van dinsdag 5 november 1946, zijn het er over eens dat uit de onderhandelingen een overeenkomst tot stand zal komen, die, aldus Reuter, ongeveer de volgende inhoud zal hebben:
I.      Nederland zal een onafhankelijke Indonesische Republiek, bestaande uit Java en Sumatra, erkennen.
2.     De Indonesische Republiek zal toetreden tot de federatie "De verenigde Staten van Indonesië", waarbij voorzieningen zullen worden getroffen dat die eilanden, die niet in de Republiek zijn opgenomen, mogelijk later deel zullen uitmaken van de Republiek, hetgeen door plaatselijke keuze zal worden bepaald.
3.     Door een afzonderlijk verdrag zal de Indonesische Federatie een deel worden van de Nederlandse Unie, waarin ook opgenomen zijn Suriname en Curaçao.
Dat lijkt allemaal zeer hoopvol maar in de krant las ik ook dat niet— Nederlandse kringen die echter nauw betrokken zijn bij de politieke besprekingen, hebben verklaard dat ze helemaal niet zo optimistisch zijn en er nog delicate kwesties moeten worden opgelost.
We zullen maar afwachten. Er wordt in ieder geval gepraat en ik heb wel vertrouwen in de integriteit van Soetan Sjahrir.
 
Ondertussen ben ik gehuisvest in een houten woning en behoort het tentleven voorlopig tot het verleden. Ik heb nu weer een slaapkamer ter beschikking, niet groot maar voldoende voor mijn veldbed en wat meubilair.
Een grote vooruitgang, vooral ook omdat alle officieren nu in één woning zijn ondergebracht, wat de onderlinge relaties ongetwijfeld ten goede zal komen en mogelijk Piters wat rustiger zal maken.
Die rust was er overigens vannacht nog niet. Ik zat op wacht en Piters kwam rond een uur of twaalf, luid vloekend uit zijn bed. Dit laatste naar aanleiding van de publicatie over de voorwaarden van de overeenkomst met de Republiek. Hij vond dat wij Java en Sumatra weggaven en dat op een tijdstip waarop de bevolking volledig op onze hand was. Na een uur vloeken en kankeren en nadat hij mijn brood had opgegeten, toog hij weer naar zijn bed.
Ik mag hem wel, ondanks zijn gebruiksaanwijzing, want hij is een eerlijke vent.
We hebben weer een dode te betreuren. Een van de jongens van de le compagnie is n.l. op een mijn gelopen in het gebied van de 4e compagnie, een landmijn door ons zelf ingegraven. Zoiets mag natuurlijk niet voorkomen, maar is gewoonlijk een gevolg van onbekendheid met de plaatselijke situatie en kleine slordigheden over de gehele linie.
 
Gisteravond werden we verrast met de komst van een team verpleegsters rechtstreeks afkomstig uit Nederland.
Zij gaan zich belasten met de medische zorg van de kampongbewoners. Een mooi taak voor deze enthousiaste meisjes, die zich ongetwijfeld niet zullen behoeven te beklagen over gebrek aan belangstelling van de zijde van onze jongens.
Vandaag hebben we in een van de bomen van onze kampong een orchidee ontdekt met een fijne doordringende geur. Prachtige bloem die we overgeplant hebben in een halve kokosnoot. Orchideeën tref je hier wel meer aan op donkere vochtige plaatsen b. v. op de kerkhofjes in de kampongs. Wat je hier ook veel ziet is de bougainvillea, een plant met opvallend grote paarsrode schutbladeren en kleine nietige bloempjes, mooi en fleurig om te zien. Trouwens over de planten in Indië zou je een boek kunnen schrijven, soms is het een palet van geur en kleur. Daar kan Nederland met tegenop maar dat hoeft ook niet; Nederland heeft andere bekoorlijkheden.
Vanmorgen was heel onze staf al om zes uur in actie. Piters en de vaandrig omdat ze niet konden slapen, ik omdat ik gekweld werd door maagkrampen. De jongens wisten niet hoe ze het hadden en dachten dat er iets bijzonders aan de hand was. Dit ook al omdat even later ook de bataljonscommandant arriveerde die blijkbaar met het goede been uit bed was gestapt. Al bij al hadden we een prettige, ontspannen ochtend. Moeten we meer doen.
Slapen doen we de laatste tijd toch weinig omdat het gebruikelijk is dat degene die naar Semarang is geweest daarover verslag uitbrengt aan de thuisblijvers. Dat kan wel eens uitlopen tot na twaalven en vooral Piters heeft behoefte aan dat gezellig bij elkaar zitten.
Ook Piet Jansen heeft zich vandaag weer eens laten zien. Hij loopt zeer ongelukkig en moet waarschijnlijk naar Batavia voor een verdere behandeling. Het ziet er niet naar uit dat hij nog bij onze compagnie terugkeert. Piet is wat magerder en kaler geworden. Samen hebben we door ons kamp gewandeld, waarbij hij zoals gebruikelijk, het woord deed en ik luisterde. Hij dacht dat zijn toekomst veilig gesteld was aangezien hem door de P. T. T. was toegezegd dat hij een vaste aanstelling zou krijgen en bureauhouder in Den Hout zou worden.
Nog een prettig bericht; Ons is medegedeeld dat een commissie over enkele dagen een demarcatielijn zal vaststellen. Als dat zo is en iedereen zich aan de afspraken houdt kunnen we de rest van onze diensttijd probleemloos uitdienen.
Onze tegenstanders houden zich de laatste dagen opvallend rustig en er is sprake van een zekere ontspanning die gunstig inwerkt op de jongens. Er zijn diverse kandidaten die nu ons kamp willen overnemen, zelfs de Stoottroepen hebben "gesolliciteerd", waarbij ze waarschijnlijk niet stil hebben gestaan bij de naderende natte moeson.
Vanavond hebben we al een voorproefje gehad en was het o. a. in mijn kamer dweilen geblazen omdat het dak lekte. Ik ben zeer benieuwd hoe mijn peloton de natte moeson zal verwerken omdat de tenten in het laagste gedeelte van de kampong staan. Het feit dat de kampongbewoners daar geen huisjes hebben gebouwd, voorspelt niet veel goeds.
 
Vandaag, 11 november, zijn er in Cheribon weer besprekingen tussen Nederlanders en Soekarno. Onbegrijpelijk dat ze met Soekarno en zijn kliek willen praten. Namens wie spreekt Soekarno feitelijk? In dit verband is het wel interessant te vernemen dat er in de binnenlanden een pro—Nederlandse zender opereert. die zegt namens 75 % van de bevolking te spreken en aandringt op het voeren van actie om de bevolking te bevrijden. Kloeke taal die mij doet denken aan onze bezettingstijd en die overeenstemt met de mening van onze legerleiding dat onderhandelen met deze kerels zinloos is en zij zich eerst dienen over te geven alvorens er van onderhandelen sprake kan zijn. Maar ja, het leger is alleen maar een instrument in handen van politici.
 
Wij zijn enkele dagen ouder en er beginnen wat gegevens binnen te komen over de onderhandelingen in Cheribon. Het schijnt nogal problematisch gegaan te zijn. Om te beginnen arriveerde onze commissie met een torpedojager die voor de kust van Cheribon voor anker ging Het gezelschap begaf zich vervolgens met een sloep naar de haven maar werd daar, ondanks de aanwezigheid op de kade van Sjahrir, niet toegelaten omdat de eveneens aanwezige Minister van Marine van de Republiek zich op het standpunt stelde dat aan hem geen toestemming tot landen was gevraagd. Na veel vieren en vijven kwam men tot een compromis; Schermerhorn en zijn delegatie moesten overstappen in een rood—witte prauw en werden daarmee aan land gezet. Wat er precies besproken is hopen we nog te horen!!
Onze leiding begint zich te realiseren dat er meer aan ontspanning en culturele vorming gedaan dient te worden. In het kader daarvan kregen we Willem Noske op bezoek, een begaafd violist. Hij maakt met de pianist Henk te Strake een tocht langs alle posten en in de achterliggende vier dagen gaven zij maar liefst zestien concerten. In ons kamp werd in de open lucht gespeeld. Eenvoudige, lichte bevattelijke dansmuziek, die door de jongens zeer op prijs werd gesteld. Na het optreden hebben wij mevrouw Noske, hem en Henk te Strake rondgeleid en natuurlijk onze heuvel beklommen. Willem was niet tevreden voordat hij in een van de stellingen achter een bren lag. Hier kreeg hij zijn eerste militaire theorie. Hard nodig want hij bleek onnoemelijk onhandig te zijn. Tijdens de maaltijd deed Willem Noske zich kennen als een prettig causeur met een brede kijk op velerlei gebied en zeer geïnteresseerd in de politieke situatie in Indië.
Deze gezellige dag werd op zeer onaangename wijze afgesloten n.l. met het bericht dat wij drie doden te betreuren hadden. Een ervan, de sergeant—majoor van Wely, kende ik al vanuit Vught. Het intrieste is dat hij pas één week getrouwd was, evenals zijn zwager die ook gedood werd.
De derde dode is een sergeant van de Stoottroepen. Hij maakte de fout om tijdens een nachtelijke patrouille vóór een van zijn posten uit te komen. Het was pikdonker, waardoor men hem niet goed kon onderscheiden en voor een vijand aanzag. Hij werd onder vuur genomen en was onmiddellijk dood. Als je aan zoiets denkt krijg je een wee gevoel in je maag en realiseer je je de betrekkelijkheid van alles.
 
Voor ons gaat het leven echter verder en er heeft vandaag zelfs een lichtpuntje voorgedaan over de aflossing. Een overste van de Regeringsvoorlichtingsdienst die bij ons op bezoek was, zei n.l. dat hij het niet uitgesloten achtte dat, na aankomst van de B—Divisie in maart 1947, met de aflossing van de oorlogsvrijwilligers een aanvang kon worden gemaakt Het lijkt mij een wat voorbarige mededeling en ik betwijfel of wij er veel waarde aan mogen toekennen, aangezien er te veel factoren een rol spelen, zo o. a. de houding van de" republiek".
Dit alles werd gevolgd door een, voor mij, zeer onrustige nacht. Een peloton Stoottroepen opereerde n.l. in ons voorterrein en was min of meer verdwaald. Niet zo vreemd als je weet dat het pikdonker was en het ontzettend had geregend. Uiteindelijk hebben we het probleem doormiddel van lichtkogels kunnen oplossen.
Ik dacht vanmiddag wat slaap te kunnen inhalen maar het was er niet bij omdat ik met mijn peloton moest uitrukken aangezien er extremisten waren gesignaleerd. De heren maken zich op het ogenblik verdienstelijk door kampongs, gelegen op ons gebied, in brand te steken. Tot mijn spijt hebben we ze niet te pakken kunnen krijgen omdat ze het hazenpad kozen. Het wordt tijd dat we een eind maken aan deze terreurdaden, die geen enkel militair effect hebben en waardoor alleen de kampongbewoners worden getroffen.
Nu, de tijd is vlug aangebroken want vandaag heeft er tussen 2 secties, versterkt met een mortiergroep, en de extremisten, een treffen plaats gevonden.
 
We schrijven 21 november 1946 en vanmorgen om 08.00 uur ben ik met mij groep uitgerukt voor een langdurige, zware patrouille. Vanuit Karanganjar trokken we in zuidelijke richting naar kampong Bringing en vandaar naar een heuvel van waaruit we het terrein observeerden.
Aangezien er geen vijand te bekennen was trokken we, dwars door het terrein, naar het kerkhof, gelegen aan de Oostrand van kampong Mangkang—Wetan en namen daar stelling. Ook daar deden zich geen bijzonderheden voor. We trokken een honderd meter terug en zagen, tijdens deze terugtocht, tot onze verwondering uit oostelijke richting, dus uit ons gebied, een vijandelijke patrouille naderen ter sterkte van ongeveer 20 man, bruin geüniformeerd, voorzien van wapens en helmen. We lieten ze naderen en opende het vuur. Zij zochten dekking en er ontstond een kort doch hevig gevecht, waarbij wij ons in een betere positie bevonden omdat wij het terrein beter konden overzien.
De vijand sloeg met achterlating van 5 doden op de vlucht en verdween achter de spoorbaan en verplaatste zich naar eigen gebied, een reden voor ons om het gevecht te beëindigen. Bij de doden troffen we 4 Lee Enfield geweren aan met munitie. Hoe komen die kerels aan Engelse geweren? We bleven nog een vijftiental minuten het voorterrein observeren en werden daarbij getrakteerd op 2 inch mortiergranaten, die ons echter geen schade berokkenden.
Tijdens onze verdere terugtocht bleek dat de extremisten blijkbaar getracht hadden de kampong Bandoegaroet in brand te steken, doch daarin maar gedeeltelijk geslaagd waren. Mede in verband met dit soort voorvallen heeft onze brigadecommandant, kolonel D. R A. van Langen, op uitgebreide schaal pamfletten laten verspreiden, waarin hij, in het Maleis en het Nederlands, exact weergeeft waar de demarcatielijn zich bevindt. Voor ons vak omschrijft hij deze lijn als volgt:
"Van hier langs de kali Tjontok naar het N. W. tot aan de samenvloeiing met de kali Kripik. Dan langs de Kali Kripik ca. 1200 m. naar het Z  en vandaar langs de kleine zijrivier naar het W. dan langs de Z en daarna langs de W. rand van de sawah-complex dat 0. van kampong Siwarak ligt.
Dan door het zadel 300 m. Z. van kampong Taloen—Katjang naar het W. over de kali Krejo langs de N. rand van kampong Djatibarang.
Vervolgens langs de kali Damangan naar het N. Dan langs de Z. rand van het sawah—complex dat ten Z. van Kedoengpani ligt Dan door het ravijn naar het W. naar de kali Ngaglik. Vervolgens langs deze kali naar het N. W. langs de Z. rand van kampong Gondorio. Dan langs de kleine kali naar het W. tot de weg van Pesantran naar Mangkang.
Van hier langs deze weg (weg inbegrepen ) naar het N. W. tot het bruggetje ongeveer 1600 m. Z. van Mangkang—Wetan. Van hier langs het riviertje naar het N W. en vervolgens langs de 0. rand van het sawah— complex Z van Mangkang— Koelon langs de kapotte ijzeren brug in Mangkang—Koelon en vandaar langs de 0. rand van de kampong Panggoeng en Pondok en verder via de kali Mangkang door de tambaks naar zee".
Voorts heeft de brigadecommandant uitvoering uiteengezet welke de internationale gedragsregels zijn inzake het gebruik van de WITTE VLAG.  
Deze mag n.l. alleen worden gebruikt door:
a. parlementariërs
b. personen die zich wensen over te geven.
Misbruik kan tot gevolg hebben dat er geschoten wordt.
Ik heb het vorenstaande uitvoerig gemeld om aan te tonen dat, indien beide partijen zich aan deze spelregels houden, er geen schot meer behoeft te worden gelost, er derhalve in feite sprake is van een wapenstilstand en er ruimte geschapen wordt om rond de tafel het probleem Indië uit te praten en vreedzaam te regelen.
 
Wat er vandaag gebeurd is n.l. dat de extremisten de demarcatielijn met honderden meters overschrijden en een kampong in brand trachten te steken, is op geen enkele wijze goed te praten en doet de vraag rijzen of er nu inderdaad van een effectieve wapenstilstand gesproken kan worden. De tijd zal het uitwijzen.
Wij doen overigens alles om de wapenstilstand te effectueren b.v. vandaag, 24 november, hebben we weer een patrouille uitgestuurd en bij de demarcatielijn pamfletten laten ophangen, waarin de spelregels nauwkeurig zijn omschreven.
Onderwijl gaat radio Djokja onverminderd door om de sfeer te vertroebelen en stemming te maken tegen de Nederlanders. Ons wordt o.a. verweten dat we niets en niemand ontzien en zelfs vliegtuigen en artillerie inzetten en ons niets van de wapenstilstand aantrekken. Vooral ons front, het westfront van Semarang moet het ontgelden, mogelijk mede een gevolg van de actie van mijn peloton op 21 november. j.l.
Als je die lui zo bezig hoort zou je bijna denken dat ze bij de Duitsers in de leer geweest zijn, aannemelijk is echter dat ze op dit punt wel het een en ander van de Jappen hebben opgestoken. Hopelijk komt er verandering in de vuilspuiterij nu, we schrijven 25 november, het ontwerpakkoord van Linggadjati ondertekend is.
Dat ontwerpakkoord kan blijkbaar niet de goedkeuring wegdragen van onze militaire top want ik heb gelezen dat admiraal Helfrich en generaal Kruls de mening zijn toegedaan dat er onzerzijds te ver gaande toezeggingen zijn gedaan, een verwijt dat ze vooral richten aan het adres van Schermerhorn.
Terwijl ik aan het schrijven ben, word ik gestoord door een hevig mitrailleur— en geweervuur. Op wie er geschoten wordt is mij nog niet erg duidelijk, mogelijk zijn de extremisten elkaar aan het afmaken. Of zouden ze ons met hun wapens willen intimideren?
 
Vanmorgen werden we nog verrast door de komst van de bataljonscommandant die opdracht gaf de compagnie te laten aantreden. Deze heer die bekend staat om zijn slordig tenue was "getooid" met gymnastiekschoenen, terwijl zijn kousen ontbraken. Ik snapt niet dat een hoofdofficier in zo’n tenue durft te verschijnen. Zijn komst bleek verband te houden met een inbraak bij Chinezen in Semarang en het vermoeden dat lieden van ons bataljon er meer van wisten.
Onze compagnie was er echter zeker niet bij betrokken, redenen waarom de toespraak van de bataljonscommandant mij overbodig voorkwam. Maar goed wie het ook zijn, gestolen mag er niet worden en misschien heeft zo’n toespraak tot nog ergens een gunstig effect.
De wapenstilstand blijkt nog steeds een farce te zijn want vandaag, 29 november, werden we uit bed getrommeld omdat extremisten ons met mortieren en artillerie onder vuur namen, even later gevolgd door een hevig geweervuur. Gelukkig schieten zij nog altijd zeer slecht, slechts een artilleriegranaat ontplotte midden in ons kamp en dat juist op een plaats waar enige seconden daarvoor mijn peloton in stelling had gelegen. Omdat ik de positie van het peloton te kwetsbaar achtte, had ik besloten de jongens onze stellingen maar dubbel te laten bemannen, een gelukkige greep zo bleek even later.
Ondertussen zet de natte moesson goed door, ongelooflijk wat een regen er dan valt. De grond is onmiddellijk doorweekt maar gelukkig zakt het water weer even snel weg als het gekomen is en frist de natuur merkbaar op, bovendien blijft de temperatuur behaaglijk.
We hebben nog steeds problemen met het vaststellen van de demarcatielijn o. a. omdat de republikeinen niet op de hoogte blijken te zijn van onze posities. Zo zouden zij in de veronderstelling verkeren dat onze kampong Karanganjar nog in hun handen is.
Ook aan het zuidfront doen zich problemen voor. Daar bleek de onderhandelaar een vroegere korporaal van het K. N. I. L te zijn. Hij kwam, gezeten op een ezel, naar onze stellingen waar hij door een stel dure jongens van ons, waaronder generaal Buurman van Vreeden, werd opgewacht. De onderhandelingen werden een flop en onze korporaal moest bij zijn hogere commandanten nieuwe instructies gaan halen. De onderhandelingen gaan echter door, dat is zeker een winstpunt
 
Vandaag hebben we een langdurige bespreking gehad met Piters over het moreel van onze compagnie. Wij, de pelotonscommandanten, zijn n.l. van mening dat de jongens geestelijk en lichamelijk zeer vermoeid zijn en hoognodig eens met verlof zouden moeten kunnen. Ik merk trouwens aan mezelf ook dat ik prikkelbaar en nerveus ben en b. v. onnoemelijk schrik als er een deur dichtklapt. Ongemerkt registreer ik zo’n geluid als een mortierinslag, niet zo best vooral niet als andere bemerken dat je "schrikkerig" bent Feitelijk zou de compagnie eens een maandje op rust moeten. Op dit punt schijnt men in Batavia de brigade volledig vergeten te zijn of stiefmoederlijk te behandelen.
Zelf kunnen we op dit punt natuurlijk ook wel iets doen, daarom zijn we begonnen om met ingang van morgen de reveille op zeven uur te stellen, voldoende nachtrust is immers ontzettend belangrijk. De ellendig zware wachten blijven echter een probleem waarvoor geen oplossing te vinden is omdat je je het onder de huidige omstandigheden zeer zeker niet kunt permitteren een stel posten in te trekken.
Gelukkig horen we dat Lou Bandy en enkele orkesten onderweg zijn naar Indië om onze ontspanning wat meer reliëf te komen geven. De ontspanning beperkt zich nu tot een keertje Semarang gaan en daar een bioscoopje te pikken of te gaan eten en het draaien van oude films in ons kampement. Het zal duidelijk zijn dat dit onvoldoende is om gemotiveerd te blijven.
Ik heb nu wat meer bijzonderheden gekregen inzake de redenen waarom de onderhandelingen over de demarcatielijn tot dusver zijn mislukt. De republikeinen eisten niet minder dan de terugtrekking van onze troepen tot binnen de beide bandjirkanalen en tevens ontruiming van de Gombel. Het vliegveld zouden we mogen blijven gebruiken, maar wel onder bewaking van de republiek Het aannemen van deze voorstellen zou in feite gelijkstaan met het overdragen van Semarang aan de republiek. De voorstellen van ons waren zeer gematigd en er alleen op gericht een zodanige toestand te scheppen dat Semarang gevrijwaard zou zijn van artillerie— en mortierbeschietingen.
 
Inmiddels heeft op 8 december een nieuwe aankomst plaatsgehad. Kolonel Soenarto schitterde echter door afwezigheid maar liet wel de boodschap overbrengen dat hij bleef vasthouden aan zijn eisen, dit ondanks het feit dat zijn chef, generaal Oerip, een veel gematigdere standpunt heeft ingenomen.
We mogen tot de conclusie komen dat in Semarang de onderhandelingen volledig zijn vastgelopen en we weer net zover zijn als voor 14 oktober d. w. z. dat we op extremistische acties voorbereid moeten zijn.
Ondertussen hebben we weer drie doden te betreuren, niet door acties maar door ongelukken en één, als ik goed ben ingelicht, door zelfmoord na ontvangst van minder gunstige berichten uit Nederland. Deze jongens waren niet van ons bataljon, wij hebben overigens toch minder slachtoffers dan de anderen.
Nu ik het toch over slachtoffers heb: Piet Jansen en Cor Farla zijn inmiddels afgereisd naar Batavia en zullen wel doorgetransporteerd worden naar Nederland. Voor hun zit het er op en laten we hopen dat ze met open armen zullen worden ontvangen en zij een passende werkkring zullen krijgen.
Onze bataljonscommandant, de man op de gymnastiekschoenen, is bevorderd tot overste, een mooie promotie en waarschijnlijk een gevolg van het feit dat de rangen bij de officieren van de 7 December divisie hoger zijn dan bij ons. Een bataljonscommandant is daar n.l. overste en een compagniescommandant majoor. Een mooi vooruitzicht voor onze compagniescommandant en indirect ook voor de pelotonscommandanten die 1e luitenant kunnen worden.
Voor mij kan dit laatste nog wel even duren, zo ook voor de andere 2e luitenants van ons bataljon. Hoe het precies zit weet ik niet, maar ik denk dat ik nog niet aan de beurt ben.
Ik ben vergeten te schrijven dat we een andere dominee hebben. Zijn voorganger, Jan Rawie, is n.l. overgeplaatst De eerste indruk van zijn opvolger is niet al te best. Ik vind het een rare kerel, even raar als zijn naam. Hij wisselt het zingen van vrome liederen af met het, in de mess vertellen van schuine bakken. Verder maakt hij de fout regelmatig in gezelschap van een verpleegster te vertoeven, iets wat je je hier, zeker als dominee niet kunt permitteren De jongens trekken n.l. direct conclusies. Welke die zijn behoef ik niet te vermelden.
Hij is overigens een zeer erudiet man met een uitstekende staat van dienst tijdens de bezetting en een man die bij bepaalde officieren, waaronder de bataljonscommandant, zeer getapt is.
 
Sinterklaas hebben we gelukkig weer achter de rug. In Nederland is dit een familiefeest bij uitstek, zeker zo kort na de bevrijding, hier is het een gewone dag, zij het dat ik in Semarang minstens zeven sinterklazen heb gezien.
Het zal dan ook wel aan mij gelegen hebben want ik vond het een zeer trieste dag met ontzettend veel regen. Het enige lichtpunt was het feit dat de tenten van de jongens het gehouden hebben. Alleen onze eend was in haar element en ploeterde opgewekt door de grote plassen die zich in ons kamp gevormd hadden.
De regenbuien worden afgewisseld met zwaar drukkend weer. Bovendien worden we geteisterd door allerlei vliegen en vliegjes die het vooral voorzien hebben op onze gezichten en blote armen.
De laatste dagen heb ik me nogal veel tussen de jongens begeven en het is me opgevallen dat er bij zijn die erg vermagerd zijn. Ongetwijfeld is hieraan de zware dienst debet maar ook de malaria waardoor verschillende jongens maandelijks enige dagen zijn uitgeteld. De patrouilles moeten echter normaal doorgaan, waardoor de wel inzetbare jongens nog zwaarder belast worden en oververmoeid dreigen te geraken.
Als ik dat zo aanzie groeit mijn respect voor de mensen van het K. N. I. L. die jarenlang onder de beroerdste omstandigheden hun dienst moesten vervullen. Zij ploeterden weken, soms maanden door de rimboe en moesten zich maar zien te behelpen, terwijl wij altijd nog het voordeel hebben dat we in de omgeving van Semarang gelegerd zijn en daar wat vertier kunnen zoeken.
Piet Ham en ik hebben een bezoek aan Semarang gecombineerd met het bezoeken van onze zieken in het ziekenhuis. Een van de jongens bleek een venerische ziekte te hebben opgelopen, iets waarmee hij uiteraard niet te koop loopt en waarvoor hij zich ontzettend schaamt. Zoiets lekt natuurlijk toch uit aangezien de V. D. patiënten bij elkaar zijn ondergebracht op de afdeling huidziekten.
Als je zo’n zaal overziet, moet je tot de conclusie komen dat er nogal wat slachtoffers van deze smerige ziekte zijn, waarbij ik wel moet opmerken dat op deze afdeling ook andere huidziekten behandeld worden, iets waarvoor de betreffende jongens maar weinig begrip kunnen opbrengen. Ik heb me laten vertellen dat het K. N. 1. L. op dit gebied vroeger een hard ongenuanceerd standpunt innam en stelde dat hier sprake was van het zich vrijwillig ongeschikt maken voor de dienst omdat er kennelijk onvoldoende voorzorgsmaatregelen waren getroffen, weshalve een straf diende te worden opgelegd.
Aannemende dat dit verhaal op waarheid berust, kan men over het standpunt discussiëren maar er zal ongetwijfeld een preventieve werking van zijn uitgegaan.
Van lieverlee krijgt ons kamp steeds meer te lijden onder de zware regens, terwijl we ook tijdens de patrouilles te kampen hebben met abominabele terreinomstandigheden. De grond lijkt hier veel op löss en klontert onder je schoenen, waardoor je al "glibberend" en "slibberend" je weg moet zoeken en vervolgen, terwijl je ook nog oog moet hebben voor de vijand.
 
Vandaag, 12 december, hebben we zes uur aan een stuk door het terrein geploeterd en waren op een gegeven moment zo moe dat ik besloot de auto’s op te roepen en ons te komen ophalen.
Nadat ik weer wat op verhaal gekomen was, nodigden Piters en de vaandrig mij uit een bioscoopje te pikken in Semarang Ik heb maar bedankt omdat ik er de voorkeur aan gaf vroeg mijn bed in te duiken.
In de krant las ik dat generaal—majoor de Waal, de oprichter van onze brigade, momenteel in Nederland verblijft en voor de radio een lezing heeft gehouden waarin hij duidelijk heeft laten uitkomen dat een gedeelte van de Nederlandse pers een campagne tegen onze bataljons voert. Hij heeft o. a. gezegd: "Een campagne gevoerd zonder enige kennis van zaken en waarbij niet geschroomd wordt te speculeren op de laagste hartstochten tot het verkrijgen van een goedkoop succes".
Of deze lezing enige indruk gemaakt heeft, dient te worden betwijfeld, maar het is goed dat de generaal zijn gal eens heeft uitgespuugd ten overstaan van die goedwillende Nederlanders, die daardoor mogelijk wat meer inzicht en doorzicht krijgen inzake de redenen waarom en waarvoor wij hier zijn en wat er zoal op het spel staat.
 
De stoottroepen hebben op 15 december flink huis gehouden onder de extremisten die zich ten oosten van Semarang ophielden. Veertig werden neergeschoten en meer dan zestig gevangen genomen. Helaas hebben de stoters ook een slachtoffer te betreuren, een jongen afkomstig uit Kerkrade.
Het blijft onrustig in het vak van de Stoottroepen en 7 R I. en die jongens kennen dan ook weinig rust.
Ik juich de acties zoals die vandaag uiteraard toe, doch zou nog liever zien dat er meer zwaardere wapens werden ingezet zodra de extremisten zich in de kampongs rond Semarang willen nestelen. Ik ben echter maar een gewoon infanteristje en zal alle aspecten die daaraan verbonden zijn wel niet kunnen overzien. Opvallend is het wel dat wij aan het westfront blijkbaar minder fanatici tegenover ons hebben. Of zouden wij zo goed zijn dat de extremisten bang voor ons zijn?
Ondertussen zijn er weer kamerdebatten over Indië. Ik zou de heren kamerleden in overweging willen geven eens wat minder te zwammen en wat meer te doen.
Voorts zou een verblijf in Indië, al was het maar voor enkele maanden, ongetwijfeld hun blik kunnen verruimen. Zij zouden eens een tijdje met een compagnie moeten optrekken en de nerveuze spanningen tijdens de patrouilles en acties mee moeten beleven. Moeten voelen wat het betekent dat men je ergens ligt op te wachten en dat het eerste schot praktisch nooit van ons, doch van de tegenstanders komt.
Zij zouden onze onzekerheid over de toekomst eens moeten proeven, kortom ze zouden een paar maanden in onze huid moeten kunnen kruipen teneinde zinnig te kunnen debatteren over "onze jongens in Indië". Ik geloof dat ik in herhaling aan het vallen ben, maar ik moest het er even uitkotsen.
Die vaandrig van ons is ook een rare kerel. Vorige week is hij iedere dag naar Semarang geweest en je zou dan mogen aannemen dat hij deze kansen benut om zijn vrouw te bezoeken, althans dat hij even bij haar binnenwipt. Hij heeft daaromtrent blijkbaar een andere opvatting en het komt regelmatig voor dat hij "vergeet" bij haar aan te lopen, maar waar maak ik me feitelijk druk over; uiteindelijk is het zijn zaak en zijn vrouw.
 
Het is nu 17 december en onze nachtrust werd rond half drie wreed verstoord door inslaande artilleriegranaten. Aangezien mijn peloton op wacht stond besloot ik polshoogte te gaan nemen. Niet dat er direct sprake was van een dreiging want de granaten sloegen overal in, behalve in ons kamp, maar je weet maar nooit. Het kan een inleidende beschieting zijn voor een aanval. Omdat het gedonder niet ophield gaf de inmiddels ook uit zijn bed gekomen Piters alarm, waarna we de jongens de stellingen lieten bemannen, terwijl we ook artillerie ondersteuning aanvroegen.
Dit laatste werd prompt verleend en verschillende kampementen van de extremisten werden onder vuur genomen.
Het mooiste was de vuurleider, die inmiddels met een pipercubje in de lucht was gekomen, op een gegeven moment correcties moest aanbrengen bij de beschieting van een suikerfabriek, eigendom van zijn vader. Ook zoiets kan hier voorkomen! Ik hoop dat onze tegenstanders hun lesje weer even geleerd hebben en op eerbiedige afstand van ons gebied zullen blijven. Ze waren de laatste dagen veel te opdringerig
‘s Middags hebben we een patrouille uitgestuurd, zonder dat zich echter problemen voordeden. De avond heb ik benut om me naar Semarang te begeven en daar een lezing van een pater bij te wonen, die uit de "Republiek" was teruggekeerd.
Volgens hem heersen daar onbeschrijfelijke toestanden. Er zijn duizend en een partijen waarvan de leiders menen dat zij het voor het zeggen hebben. Vooral in Djocja en Solo zou de toestand erg verward zijn. Overigens is dat de streek van waaruit soldaten en zelfs meisjes, gerekruteerd worden voor het Semarangfront.
Hij had geen goed woord over voor de Engelsen, die hij schuldig achtte aan de problemen waarmede wij nu geconfronteerd werden. Indien wij tijdig op Java waren ingezet en onze tijd niet hadden moeten verlummelen op Malakka, dan zouden wij — volgens de pater — als bevrijders zijn binnengehaald en hebben kunnen praten in plaats van schieten.
Interessant voor de geschiedschrijving maar niet voor ons, dat heeft de afgelopen nacht en morgen bewezen.
Overigens hebben zulke beschietingen als vannacht geen enkele zin en de tegenstanders bereiken er alleen maar mee dat wij niet indommelen en paraat blijven.
Na al die drukte konden we het ons permitteren een rustdag in te lassen, welke we benut hebben om o. a. de afwatering van de sloot gelegen achter mijn stellingen, in orde te laten brengen.
Ik schrijf; laten brengen, aangezien we daarvoor gebruik hebben gemaakt van krijgsgevangenen. Jonge, zo te zien eenvoudige, kampongbewoners. Zo’n indruk zegt echter weinig omdat deze oosterlingen voor ons westerlingen nog steeds een dichtgeslagen boek zijn. Bovendien kunnen we niet met hen praten omdat wij de Maleise taal niet machtig zijn en eerlijk gezegd ook geen moeite doen die te leren.
Voor ons is het Maleis niet zo interessant omdat we toch over een tolk beschikken en bovendien niet voornemens zijn hier te blijven. Dit laatste in tegenstelling tot Hoogenraad, maar die is hier geboren.
Over hier blijven gesproken;  volgens de laatste geruchten gaan we in oktober 1947 naar huis. Waar deze keer die informatie vandaan komt is duister en we mogen aannemen dat er zelfs geen kern van waarheid inzit. Waar zouden de aflossingstroepen vandaan moeten komen?
Voor het eerst na lange tijd ben ik weer eens naar de bioscoop in Semarang gegaan, daartoe uitgenodigd door Piters. Eerst zijn we gaan eten in de mess, daarna zagen we een dolle film met Bob Hope in de hoofdrol, terzijde gestaan door veel dames met weinig om het lijf, maar dat mocht want de film speelde op Hawaï. Zo’n film is toch wel leuk, het doorbreekt de sleur en je proeft nog eens de sfeer van het leven in vredestijd.
 
Vandaag, donderdag 19 december 1946, heerste er een grote activiteit aan ons front. De extremisten moesten n.l. teruggedrongen worden achter de demarcatielijn.
De heren hadden n.l. eigenmachtig op ons gebied een demarcatielijn vastgesteld, redenen om in te grijpen.
Met ondersteuning van pantserwagens, artillerie en mortieren ging de infanterie er tegenaan, met succes want de vijand werd verjaagd. Helaas heeft de actie het leven gekost van een jongen van de Stoottroepen en nog wel door een misverstand. Onze mortieren namen n.l. een bruggetje onder vuur dat reeds door onze troepen bezet was. De betreffende jongen zocht dekking in een schuttersput, doch dook daarbij op een bajonet van een extremist die zich nog in de put bevond. De jongen was onmiddellijk dood, de extremist even later. Toevallig was ik met de aalmoezenier even later ter plaatse. Arme jongen, arme ouders.
We zijn weer een dag verder en hebben vanmorgen een patrouille uitgezonden met de opdracht het terrein ter verkennen op vijandelijke activiteiten. Echter geen spoor van extremisten. Mogelijk houdt dit verband met de regen die met bakken uit de hemel valt. Ik heb n.l. de indruk dat onze tegenstanders slechter tegen de regen kunnen dan wij en er onder zulke omstandigheden de voorkeur aan geven te schuilen. Ondertussen blijken onze vrienden Karel van Lonkhuizen en Jan Hendriks weer in Semarang te zijn teruggekeerd. Lonkhuizen wordt weer pelotonscommandant, terwijl Hendriks zich met de welzijnszorg zal gaan belasten.
 
We hebben drie carriers, inclusief bemanning natuurlijk, op bezoek gehad om wat te oefenen. Dat laatste werd geen succes aangezien ze zich vast reden in de sawahs en er moest zelfs een locomotief aan te pas komen om hen uit de modder te trekken. Die carriers blijken hier alleen maar inzetbaar op de verharde weg. In het zijterrein, zeker wanneer dit geaccidenteerd en doorsneden met riviertjes is, zijn ze waardeloos en in de praktijk komt het er op neer dat wij hen en zij ons moeten beschermen. Willen we echter tot een optimale samenwerking komen dan zal er eerst intensief getraind moeten worden. We schrijven nu zaterdag 21 december en aan mij is de "eer" te beurt gevallen met twee pelotons te moeten uitrukken en eventueel aanwezige extremisten uit ons gebied te verdrijven. Gelukkig bleek dat niet nodig. Wel zagen we een groepje bij de demarcatielijn, dat ijlings verdween toen wij naderden. Hadden ze niet behoeven te doen want men bevond zich op eigen gebied, weshalve er voor ons geen enkele aanleiding bestond het vuur te openen.
Ik had de auto’s reeds opgeroepen om ons te komen ophalen toen het bericht doorkwam dat de bataljonscommandant naar voren wilde komen in gezelschap van de overste Buma. Ik heb daarna de pelotons weer stelling laten nemen en de heren een gedeelte van onze sector laten bekijken, ook de plaats waar enkele dagen geleden die jongen van de Stoottroepen om het leven kwam.
Overste Buma bleek een sympathieke man, dankte mij voor de "rondleiding" en bood de jongens sigaretten aan. Mooie geste. Van Piters hoorde ik later dat ik om de een of andere reden een goede beurt had gemaakt aangezien hij de ene overste tegen de andere had horen zeggen dat ik een" flinke vent" was. Ik neem die opmerking niet kwalijk, vergissen is menselijk, maar ergens voel je je toch gestreeld. Het vervelende met dit soort zaken is dat als je toevallig niet goed overkomt je als een waardeloze vent wordt betiteld, een etiket dat je praktisch niet meer kwijtraakt.
 
24 december;  één dag voor kerstmis, maar helemaal geen kerststemming.
Eén van onze beste en ik mag wel stellen, netste mensen, de Reneth is n.l. zwaar gewond in het Elisabethziekenhuis in Semarang opgenomen. We waren weer eens op patrouille en hadden ter versterking een peloton van een andere compagnie toegevoegd. Afgesproken was dat wij noord van de verharde weg zouden opereren en zij zuidelijk, waarbij in principe op de weg zelf geen vuur afgegeven zou worden teneinde te voorkomen dat eventueel eigen mensen zouden worden getroffen. Van de vijand was geen spoor te bekennen en we rukten dan ook snel door het terrein op en namen stelling aan de rand van een sawah van waaruit we een uitstekend zicht hadden op de demarcatielijn.
De Reneth, onze scherpschutter, hadden we in een iets vooruitgeschoven positie opgesteld, achter een over de weg liggende boom. Het andere peloton had blijkbaar ons tempo niet kunnen volgen, niet zo verwonderlijk want wij kennen dit gebied als onze broekzak, en naderde even later onze positie. Ik kon hen zien, zij mij!!!
Wat die jongen bezielde weet ik niet, maar op een gegeven moment opende de brenschutter van dat peloton het vuur op de Reneth. Hij gaf minstens drie vuurstoten af en trof de Reneth meermalen. Ik zag het gebeuren en dacht dat hij hem doodgeschoten had.
Gelukkig bleek dat niet het geval en de Reneth begon te gillen van pijn en schrik en riep steeds :"luitenant, nu moet mijn been eraf, want het zit vol kogels". Samen met een hospitaalsoldaat sleepte ik hem naar de kant waar de eerste hulp werd verleend en bleek dat hij op minstens vijf plaatsen in zijn benen was getroffen. Wij, o. a. Piters die ook ter plaatse was, vreesden het ergste en lieten de Reneth met de inmiddels opgeroepen ambulance, naar het ziekenhuis overbrengen.
Na de patrouille volbracht te hebben zijn Piters en ik onmiddellijk naar het Elisabeth ziekenhuis gegaan en arriveerden daar juist op het moment dat de Reneth uit de operatiekamer kwam. Het bleek gelukkig mee te vallen. Nu maar afwachten  of er zich geen complicaties voordoen en in hoeverre het zwaarst getroffen been weer bruikbaar zal worden. Laten we hopen dat het vleeswonden zijn en er geen vitale delen zijn geraakt. Hoe het ook zij;  ik zie de Reneth niet meer terugkeren bij onze compagnie. Weer een slachtoffer van eigen vuur en het zal duidelijk zijn waarom ik zo opzie tegen acties in samenwerking met andere onderdelen. Van je eigen jongens weet je hoe ze reageren en handelen, terwijl je dat van vreemden maar moet afwachten.Na afloop van het bezoek aan de Reneth is Piters in Semarang gebleven, ik was liever alleen en ben teruggekeerd naar ons kampement.  
Kerstmis 1946;  iedereen die er zijn kon en zijn wilde, was vanmorgen om vier uur present in de kantine om daar de nachtmis bij te wonen. De kantine was voor deze gelegenheid speciaal versierd, maar het mocht allemaal niet baten;  bij mij was er geen sprake van een kerststemming. Kerstmis moet je en kun je alleen thuis vieren en zeker niet in een kantine op een buitenpost op Java. Na de mis hebben we nog wat zitten praten en zijn daarna maar weer naar bed gegaan, echter niet voor lang want om half tien verscheen onze brigadecommandant, kolonel van Langen, om zijn kerstwensen over te brengen. Erg sympathiek..
Van rust was er ook toen geen sprake want Piters en ik moesten om half twaalf in de mess aanwezig zijn voor een bespreking met de bataljonscommandant Dit duurde tot drie uur en een van de punten was de vraag of een van onze officieren ter verantwoording moest worden geroepen voor zijn handel en wandel. Na afloop zijn we blijven eten en hebben daarna onze zieken en gewonden in de ziekenhuizen bezocht.
Met de Reneth bleek het, naar omstandigheden, redelijk goed te gaan. Hij heeft enkele grote wonden maar zijn stevige benen kunnen wel iets hebben. Feitelijk een wonder dat het zo afgelopen is.
De monteur van onze compagnie die met zijn auto in brand is gevlogen is er slechter aan toe. Hij heeft n.l. één vinger verloren en drie toppen. Zielig om te zien. We hebben hem maar moed ingepraat en gezegd dat er met training nog veel te bereiken valt. Wat moet je anders?
De terugkeer in ons kampement was ook minder prettig want daar hoorden we dat bij een van onze compagnieën een mortiergranaat tussen een paar jongens terecht gekomen was. Het ongeluk, het was eigen vuur, is nog betrekkelijk goed afgelopen. Er is alleen sprake van beenwonden, zij het met veel bloedverlies, terwijl een van de knapen nog in een shocktoestand verkeert Al bij al pechdagen voor ons bataljon. De kerstavond hebben we doorgebracht in gezelschap van twee paters die de jongens een kerstverhaal kwamen vertellen. Ze deden het uitstekend en bezorgden daardoor wat afleiding. Voor afleiding zorgde overigens ook de Niwin want we ontvingen allemaal een goed verzorgd pakketje.
Dat is het betere werk!! Kerstmis is een tijd van bezinning.
Dat komt ook tot uitdrukking in het kerstnummer van ons lijfblad "De Tijger".
Het begint al op het frontblad met een gedicht van sergeant de Vries met als titel: "Ik zal er deze keer niet bij zijn" en gaat verder met "Nu zijt wellekome Jesu, lieve Heer" en "Kerstnacht  1944".
Een gedicht meen ik te moeten overnemen. Het is van de soldaat Knijff van 2 — 7 R I. en hij noemde het “De wens van een soldaat". Hier volgt het:
 
Mijn gedachten zijn vol wensen..
Nu nog meer dan ooit voorheen.
Wensen zij het heil der mensen,  
die steeds strijden, heel alleen
Met hun strijden en hun zoeken  
naar de weg van het geluk, 
en het dragen van het juk 
 
Wees niet droevig, zwaar te moede,
 niet ontmoedigd, waar ge zijt:  
Weet, wij vechten voor het goede
voor de eer van menselijkheid.  
Voor de welvaart van de landen,  
voor ‘t geluk van allemaal,  
voor het werk in lege handen, 
voor ons levensideaal.  
Voor het recht en voor het goede,  
voor dien—plicht in levensstrijd.
Voor dien—plicht zij niemand moede 
met begrip waarvoor hij strijdt  
 
Weet, het licht der mooie dagen 
klimt weer aan den horizon. 
En geen kinderen zullen vragen 
waar die strijd toch om begon.  
‘k wens een leven zonder zonden,  
een oog dat ziet, een hand die grijpt 
hen, die saam door strijd verbonden
vrede oogsten, die er rijpt  
 
 
Je kunt en mag van zo’n gedicht denken wat je wilt, vast staat dat die jongen iets heeft willen zeggen. Wat dat is, zal ieder voor zich zelf uitmaken. Van “vrede op aard” is momenteel bij ons geen sprake. Het is zeer onrustig rond de demarcatielijn en onze artillerie is al verschillende keren in actie moeten komen. Ook nu weer hangt onze artillerieverkenner in de lucht, loerend op een prooi.
Die jongens van de artillerie hebben toch wel lef om met zo’n kwetsbaar vliegtuigje boven vijandelijk gebied te cirkelen.
Als je zo rondkijkt is er in feite geen sprake van een kerstsfeer. De zon schijnt, de vogeltjes fluiten, onze kippen kakelen, om over de groene natuur maar te zwijgen. Misschien doet de rust in ons kamp aan vrede denken, maar die rust is bedrieglijk want in de verte hoor je het inslaan van artilleriegranaten. De enige die door dit alles niet gestoord wordt is onze aalmoezenier, die naast me in een stoel zit te slapen. Van mij mag dat, want hij heeft een zwaar programma achter de rug.
 
Mijn peloton staat op wacht en een van de gevolge daarvan was dat ik vannacht om vier uur mijn bed uit moest om mijn controlerende taak te vervullen. Ik kan niet goed tegen "nachtbraken" en val daarna ‘s middags om van de slaap. Ik denk dat ik niet geschikt zou zijn om een nacht in een stelling door te brengen, omdat ik onherroepelijk in slaap zou sukkelen. Ik heb ook op dit punt grote bewondering voor de jongens. Die moeten immers eens in de drie dagen 24 uur op wacht!
Vanmiddag hadden we een man van de regeringsvoorlichtingsdienst op bezoek.
Ongelooflijk wat kan die man kletsen. Drie uur had hij nodig om alles en nog wat uit te leggen met als eindresultaat dat we nog even weinig wisten als toen hij begon. Natuurlijk kwam de vraag ter sprake; wanneer worden we afgelost? Het antwoord was, zoals te verwachten was, ontwijkend, nietszeggend. Naast deze weinig opwekkende "voorlichting" hadden we ook nog een tegenvaller.
De jongens hadden n.l. een revue ingestudeerd. Verschillende medewerkers moesten vandaag echter op patrouille, welke zo zwaar bleek te zijn dat ze na terugkomst volledig uitgeteld waren en geen lust hadden om op te treden. We hebben maar besloten de revue naar een latere datum te verschuiven. De stemming onder de jongens en het kader van de compagnie wordt er niet beter op. Vooral Piters is erg down, terwijl ook de vaandrig, om voor mij onbekende redenen, erg gedeprimeerd is. Om wat op verhaal te komen zijn ze samen naar Semarang getogen in de hoop in "Du Pavillon" wat vertier te vinden.
 
De kerstdagen zijn gelukkig weer achter de rug, maar we krijgen nog een paar moeilijke dagen rond de jaarwisseling.
Het weer werkt ook niet mee om in een betere stemming te komen. Het regent n.l. al sedert vannacht Op zich niet zo erg maar we moesten op patrouille en hebben vier uur door de blubber gebaggerd. De extremisten waren blijkbaar wijzer en lieten zich niet zien. Zolang je in beweging bent gaat het wel, doch zodra je stelling moet nemen om te observeren wordt het veel te koud en loop je de kans opgescheept te worden met een longontsteking, iets wat we niet kunnen hebben, aangezien er al zieken genoeg zijn. Uiteindelijk heb ik maar besloten de patrouille één uur in te korten, omdat ik het niet verantwoord achtte nog langer in die natte kleren te blijven lopen.
Om twee uur waren we terug in het kamp, waarna het leed vlug geleden was, dit ook al omdat een van de oppassers zo attent was geweest voor een warme maaltijd te zorgen.
Even later kregen we bezoek van een mevrouw van het Rode Kruis uit Semarang.
Zij had gehoord dat wij een mislukte kerst achter de rug hadden, een reden om ons te bezoeken en op gebakjes te vergasten. Mooie geste. Overigens moet ik hier vermelden dat onze welfare—officier een minder goede beurt heeft gemaakt, want hij heeft aan de bataljonscommandant gerapporteerd dat wij de kerstdagen „knus en gezellig“ hebben doorgebracht. Die Jan leert het ook nooit!
 
Ondertussen blijft de regen maar neerplenzen en staat het kamp op verschillende plaatsen blank. Vooral mijn peloton kampt met wateroverlast. Zolang de tenten het echter houden maken we er ons niet al te druk over. Dat water zakt wel weg Nu ik het toch over ons kamp heb;  het lijkt onderhand wel een dierentuin. We krijgen steeds meer honden en katten. De honden waren half verwilderd maar hebben hun vrees voor ons van lieverlee overwonnen en zijn door de jongens"geadopteerd". De katten zijn zwerfkatten waarbij het opvalt dat ze geen staart hebben. Die wordt blijkbaar afgehakt. Waarom is mij niet duidelijk.
Piters heeft zich vandaag, 28 december, in het voorterrein verdienstelijk gemaakt. Onze pioniers hebben n.l. wegversperringen opgeruimd en hij moest met een peloton voor de beveiliging zorgen. Het inzetten van de pioniers was nodig omdat de extremisten zich momenteel bezig houden met het omzagen van bomen en het opwerpen van wegversperringen waardoor de weg voor onze auto’s geblokkeerd wordt en het schootsveld belemmerd. We hebben zelfs pantserwagens ingeschakeld om de weg vrij te maken. Of het veel helpt betwijfel ik. Je loopt immers de kans dat ze ‘s nachts weer andere bomen omzagen. Feitelijk zou je permanent een patrouille in het voorterrein moeten hebben, maar daar hebben we te weinig mensen voor.
De vrouw van de vaandrig is ernstig ziek geweest en ik vrees dat zij niet tegen het klimaat kan. Niet zo verwonderlijk want Semarang staat bekend om het slechte klimaat. De kust is zeer moerassig en bovendien zijn de afwateringskanalen zwaar verwaarloosd, waardoor ze een ideale broedplaats voor muskieten zijn. Het klimaat in Bandoeng schijnt veel beter te zijn en we zouden daar eens een dag of veertien moeten kunnen doorbrengen om wat op verhaal te komen. Nog beter zou zijn als wij tot actie overgingen.
Met inschakeling van ons zwaar materiaal en vliegtuigen moet het mogelijk zijn om zonder al te grote verliezen, uit te breken en de extremisten onder de voet te lopen. Er schijnt echter overeengekomen te zijn dat we geen vliegtuigen mogen inzetten. Ondertussen zijn wij wel vastgenageld aan de demarcatielijn en vallen er nog regelmatig slachtoffers.
Dat afwachten ligt mij niet. Ik zou de zaak willen afwerken en dat niet alleen in ons belang maar ook in dat van de kampongbewoners. Dit wachten sloopt je zenuwen en ondermijnt het moreel van de troep. Bovendien worden de extremisten sterker.
De zaak nu oplossen past blijkbaar echter niet in het politieke spel, waarbij schijnbaar voorbij gegaan wordt aan de huidige verliezen en die welke ons te wachten staan als we op een later tijdstip tot actie overgaan.
 
Het is inmiddels 30 december en vanmorgen hadden we het gezelschap Benny Vrede op bezoek. Ik vond het optreden niet zo geslaagd, maar dat zal wel aan mij gelegen hebben omdat ik direct na de voorstelling op patrouille moest. Met zo’n vooruitzicht kan ik me moeilijk ontspannen.
Om twee uur gingen we op pad. De jongens bewapend met geweren en brens, ik met een pistool. De patrouille duurde tot half acht en ik moet bekennen dat ik op een gegeven moment volkomen kapot was. Vooral het beklimmen van tjots ( heuvels ) was een beproeving. Ik begrijp niet dat de jongens dat volhouden met zo’n bepakking en bewapening.
Bij terugkeer in ons kamp werden we met het laatste nieuws geconfronteerd : Piters wordt overgeplaatst naar de staf van het bataljon en zal daar de functie van luitenant—adjudant moeten gaan vervullen.
Naast de vraag of die functie hem wel ligt, doet zich het feit voor dat het een degradatie is, aangezien deze functie beneden het niveau van compagniescommandant ligt.
Piters is volkomen van de kaart en loopt maar te ijsberen en te piekeren. Al moet ik toegeven dat hij geen ideale commandant is; dit heeft hij toch niet verdiend. Hij is te onzeker, te gespannen en twijfelt teveel aan zijn eigen capaciteiten, daarnaast is hij echter goedwillend, eerlijk en voor mij een betrouwbare kameraad. We hebben geprobeerd hem zoveel mogelijk op te beuren, zonder succes. Hij zal tegen de overplaatsing wel beroep aantekenen bij de brigadecommandant. Het vervelende hierbij is dat is dat hij de hiërarchieke weg dient te bewandelen en derhalve de bataljonscommandant niet mag passeren.
Zijn opvolger is ook bekend, dat is Piet Ham. Piet is een heel ander type dan Piters. Hij is juist zeer ontspannen, contactueel, vlot en welbespraakt. Misschien neemt hij alles wat te gemakkelijk op, wat mogelijk de discipline kan schaden. We zien wel.
Ik neem de functie van plaatsvervangend compagniescommandant van hem over. Samen kunnen wij het uitstekend vinden en problemen zijn er dus niet te verwachten. Door deze mutaties is ook de dreiging dat ik overgeplaatst zou worden naar de 2e compagnie vervallen. Gelukkig, want ik heb mij daar hand en tand tegen verzet aangezien ik liever bij de jongens blijf waarmee ik naar Indonesië ben vertrokken.
 
Het is nu 31 december. Een trieste dag voor Piters. Naar aanleiding van zijn verzoek om, in verband met de overplaatsing, de brigadecommandant te mogen spreken is hij n.l. op het matje geroepen door onze bataljonscommandant Deze heeft met hem de vloer aangeveegd en hem o.a. verweten dat hij, mede door zijn nervositeit, volkomen ongeschikt is voor de functie van compagniescommandant en de compagnie alleen is blijven draaien dankzij het kader.
Het zal je gezegd worden op de laatste dag van het jaar. Hij heeft echter de moed niet opgegeven en wil toch een uitspraak van de brigadecommandant uitlokken. Misschien krijgt hij daardoor een andere functie aangeboden, maar verliezen zal hij ongetwijfeld, omdat hij te kwetsbaar is gebleken.
Toch nog een opwekkend bericht op de valreep van het jaar; kampongbewoners kwamen ons n.l. een wild zwijn aanbieden. Ze hebben er zeker een uur mee moeten sjouwen en boden het ons aan als dank voor de rust die wij in hun kampong hebben teruggebracht. Een mooi gebaar en een bewijs dat ze onze aanwezigheid ten zeerste op prijs stellen.
Van "oud en nieuw" vieren is niet veel terecht gekomen, daar was de stemming niet naar. Gezamenlijk hebben wij in onze kantine het nieuwe jaar afgewacht, zonder veel drukte. Wat zal 1947 ons brengen? Over 1946 ben ik niet erg enthousiast, gelet op de vele doden en gewonden die wij bij de brigade te betreuren hebben. Misschien wordt dit jaar de wapenstilstand echt gerealiseerd en zijn we eind 1947 weer thuis. Sergeant de Vries heeft daaraan blijkbaar ook gedacht in zijn gedicht in "De Tijger", waarin hij met de volgende woorden afscheid nam van 1946:
   
Je was niet makkelijk, ouwe baas,                        je gaf ons oorlog, fel en wreed
Met al je beste dagen,                                         Tegen schreeuwend’ extremisten,
Al kwam j’ op ‘t eind met Sinterklaas                    Je gaf ons moeite, je gaf leed,
En Zwarte Piet aandragen.                                   En plunderende terroristen.
 
Je gaf ons heel veel eenzaamheid                        Je gaf... .je gaf ons vertrouwen, moed,
verlangens, zwaar te dragen……                          Je leerd’ ons op elkaar te bouwen,
Je eiste harde, felle strijd,                                    Je gaf ons tint’ling in het bloed,
Manmoedig — zonder klagen.                              Je gaf ons Godsvertrouwen.
 
Je gaf patrouilles en veel wacht,                           En, oude, doe ons één plezier  
Een dienst om te genieten,                                   Wil je aan ‘47 vragen,
Je gaf ons donk’re tropennacht,                            Of hij de namen van de "tijger" hier
met mortieren en muskieten.                                Op zijn rug naar huis wil dragen.
 
Je gaf een felle tropenzon,
Die brandde op onze ruggen,
Je gaf een verlate kantinebon,
en volop vieze muggen.