Zo maar wat herinneringen.... (deel 1)

 

Voorwoord
Op het tijdstip dat U dit boekwerk wordt aangeboden (Reünie 1995), herdenken wij het feit, dat wij vijftig jaar geleden, vrijwillig, scheep gingen   naar Indië. Voor de goede orde: Wij waren al oorlogsvrijwilligers toen het Zuiden reeds bevrijd en Nederland boven de Moerdijk nog bezet was.Indië, wat in dit boek in hoofdzaak wordt beschreven, speelde voor ons toen nog niet, omdat we ons immers in de eerste instantie hadden gemeld om deel te nemen aan de verdere strijd in Nederland en voorts tot aan Berlijn De geschiedenis wijzigde onze plannen volkomen. Het Duitse bezettingsleger in Holland capituleerde en de legertop besloot dat we eerst echte soldaten moesten worden in een echte kazerne. Aldaar werden we later geconfronteerd met de Indië-affaire en de bede van de regering om ons eveneens vrijwillig in te zetten voor de bevrijding van tienduizenden landgenoten en Indische Nederlanders, die nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden, in de Jappenkampen zuchtten.
Onze positieve reactie was vanzelfsprekend en, zoals gezegd, een halve eeuw geleden vertrokken we.
Hiervoor dit jaar een aandenken uit te reiken was al geruime tijd de wens van ons Comité en het streven van onze zuinige penningmeester Ger van Gils.
We hadden geluk, want toen we hevig zaten te brainstormen met een lange lijst van relatiegeschenken, van stropdas tot bierpul, al of niet met Tijgerembleem, kregen we per toeval inzage van het ingebonden dagboek van de luitenant Verhulst.
Enkele commissieleden hebben dit oeuvre doorgewerkt en waren meteen enthousiast.
Een blijvend document, eveneens voor onze nazaten, is veel meer dan we met ‘n import welk ander aandenken hadden kunnen bereiken.
Het is uiteraard een verslag over de 3e compagnie, maar kan prima model staan voor de ervaringen van elk ander onderdeel van ons bataljon.
De notities geven een duidelijk verslag over ons korte verblijf in Engeland, de zeereis en het oponthoud op Malakka.
Tot zover lopen alle activiteiten en ervaringen synchroon. Wat betreft Java zult U, al lezend, bemerken dat acties en patrouilles die worden beschreven, uw eigen herinneringen zouden kunnen zijn en zelfs de meeste namen van kampongs en personen bekende klanken hebben.
Het verslag van Verhulst is soldatesk eenvoudig, eerlijk en rechtuit. Hij schuwt geen kritiek en weet de fragmentarische en chronologische elementen welke zo typerend zijn voor dagboeken in het algemeen, te onderbouwen met een onderhoudende schrijfstijl, hetgeen de leesbaarheid zeer ten goede komt
Secretaris Cor Farla toonde zich meteen bereid aan het monnikenwerk te beginnen door alles opnieuw te verwerken in zijn computerhok en ziehier het resultaat.
Het was uiteraard Johan Cats, die met zijn bekende tekeningen en schetsjes, het geheel heeft verlevendigd.
Wij zijn de majoor b.d. Verhulst zeer erkentelijk, zijn zo persoonlijke pennenvruchten te mogen gebruiken als
jubileumaandenken voor alle Sobats van II -  6 R I. .
 
Namens het reüniecomité
Ad van Hooijdonk
 
 

Verantwoording.  

Ruim 30 jaar na mijn terugkeer uit Nederlands—Indië was ik in de gelegenheid aan de hand van de dagelijkse brieven die ik in de periode van 14 oktober 1945 tot 25 april 1948 aan mijn vrouw schreef, mijn herinneringen, patrouille verslagen en exemplaren van "De Tijger" die nog in mijn bezit waren, een sober, simpel beeld te schetsen van het leven van alledag bij 3 -II 6 RI.
Ik heb getracht te beschrijven wat wij deden, dachten, voelden, doormaakten, misten en niet wisten, waarbij ik ook, teneinde historisch in de pas te blijven, incidenteel het boekwerk van de T-Brigade "Tussen Sawah's en bergen" en de encyclopedie van Nederlands—Indië raadpleegde.
Of ik erin geslaagd ben een duidelijk beeld te schetsen, weet ik niet. Eerlijk gezegd weet ik niet eens of er wel een beeld ontstaan is en mijn ontboezemingen het lezen waard zijn.
Ik laat dit aan het oordeel van de lezers en meer speciaal aan dat van de jongens van toen, de opa’s van nu over, waarbij ik hoop dat de opa’s weer even terug zijn in en zich bezinnen op de tijd die we samen hebben doorgeworsteld, een tijd waarin ook duurzame vriendschappen en banden werden gesmeed en jongens sneuvelden voor een zaak, die wij toen een goede zaak vonden.  

  Eindhoven, februari 1981

           

Engeland  

                                                                                                                                
 
Op Zondag 14 oktober 1945 stond ons bataljon II — 6 R I. op het station Sittard aangetreden om in de trein te stappen die ons naar Calais moest brengen. Er heerste een gespannen, zenuwachtige drukte en enkele jongens waren nog bezig afscheid te nemen van hun vrouw of meisje.
Om zes uur was iedereen ingestapt en werd het vertreksein gegeven. Er werd weinig gesproken en iedereen was in gedachten verzonken. Begrijpelijk,  want we waren onderweg naar Nederlands—Indië waar een onzekere situatie en toekomst ons wachtte. Ongetwijfeld zouden er onder ons jongens zijn die Nederland voor het laatst hadden gezien en voor wie deze reis een "enkele reis" zou zijn.
De reis verliep vlot en al spoedig passeerden we Maastricht en bogen af naar Brussel en de Franse kust. ‘s Morgens in de vroegte bereikten we Calais waar Engelse militairen ons naar een transitkamp dirigeerden en we ons wat konden verfrissen.
De Engelsen hadden alles keurig voor elkaar en zelfs voor een ontbijt gezorgd, terwijl we ook een rantsoen sigaretten en snoep toebedeeld kregen en in de gelegenheid werden gesteld ons geld om te wisselen.
Rond negen uur stapten we aan boord van de "Biarritz", die ons naar Dover bracht. De overtocht verliep zeer vlot en reeds om half twaalf kregen we de beroemde krijtrotsen in zicht. Even later doemde Dover op, een stad gebouwd op de krijtrotsen met mooie oude gebouwen. We voeren de door grote pieren beschermde haven binnen en konden rechtstreeks overstappen op de voor ons gereedstaande trein.
We reden door een heuvelachtig bebost terrein, waarin prachtige, schilderachtige dorpjes verscholen lagen, richting Londen.
Toch ben ik in slaap gevallen en werd pas wakker toen we in Redhill stopten en ik een stationnetje zag dat mij aan dat van Breda deed denken. De omgeving bleef prachtig en wit aandoende wegen slingerden zich tegen de heuvels omhoog.
In de namiddag reden we Wokingham binnen, waar we in een kampement zouden worden ondergebracht.
Na een uur marcheren bereikten we onze bestemming en werden opgevangen door Engelse militairen.
Het bleek dat we veertig kilometer van Londen verwijderd waren, wat bij iedereen de hoop deed leven in de gelegenheid gesteld te worden daar eens een kijkje te kunnen gaan nemen. Onze barakken bleken geweldig koud en van slapen is er de eerste nacht dan ook weinig  gekomen. Uiteindelijk ben ik maar volledig gekleed onder de wol gedoken, maar ook dat hielp niet.  
16 Oktober 1945;
We zijn inmiddels begonnen met het in orde brengen van onze kleding en uitrusting en hebben zelfs al tijd gevonden om de omgeving van ons kampement te verkennen, waarbij we prachtige oude gebouwen en machtige loof­bomen, gelegen in een glooiend terrein, ontdekten. Feitelijk zouden we meer van Engeland moeten kunnen zien, maar dat zit er niet in, omdat we slechts beperkte bewegingsvrijheid hebben en het bovendien de bedoeling is dat we zo snel mogelijk worden ingescheept.
Kapitein Hoogenraad , onze compagniescommandant,  heb ik nog niet gezien. Hij schijnt bij een ander deel van het bataljon te vertoeven. Ik wil hem zo spoedig mogelijk spreken om wat duidelijkheid te krijgen over de voor ons ingediende bevorderingsvoorstellen. Het is ons, de pelotonscommandanten, n.l. toegezegd dat wij tot officier zullen worden benoemd en die toezegging willen wij uiteraard gaarne zo vlug mogelijk gehonoreerd zien.
Felix v. d. Straeten heeft ondertussen al verkondigd dat hij er niet aan denkt nog ooit naar Nederland terug te keren. Hij wil in Indië een toekomst opbouwen.
Vandaag zijn we na de dienst met een man of negen uitgereden, waarbij het vervoer zich beperkte tot één taxi, die gevaarlijk door de veren ging, doch ons toch bracht waar we moesten zijn, n.l. bij de brandweerkazerne, het punt van waaruit we weer zouden terugkeren naar het kampement.
Wokingham bleek een klein stadje te zijn met opvallend veel winkels en café’s en weinig mensen op straat.
Desondanks zagen enkele jongens toch kans aansluiting te krijgen bij enkele meisjes die zich op straat bevonden.
We bezochten de plaatselijke kantine en vernamen dat 14 RI. en de Stoottroepen ook in Wokingham gelegerd zijn geweest en een maand geleden vertrokken waren.
Enkele lui van onze groep slaagden er ondertussen in lichtelijk aangeschoten te geraken en vooral Beekers was zeer uitgelaten.
De terugreis verliep zeer vlot en we werden keurig voor onze barakken afgezet, waarna wij onze bedden opzochten, behalve Beekers, die vond dat hij nog inspectie diende te houden. Dat was echter teveel van het goede en gezamenlijk hebben we hem uitgekleed en in zijn bed gedeponeerd.
Nellis Smits, mijn oppasser, had voor een extra deken en een warme kachel gezorgd waardoor de temperatuur van dien aard was dat ik spoedig in slaap viel.  
19 Oktober;
Wij hebben een nieuwe compagniescommandant gekregen als opvolger van kapitein Hoogenraad. Het is de 1e luitenant Piters, een Limburger. Ik kan hem niet goed inschatten, maar hij lijkt wat onzeker en nerveus.
Dat kan natuurlijk komen omdat hij voor een vreemde compagnie staat met kader dat hij niet kent en dat grotendeels afkomstig is uit het Brabantse. We zullen nog aan elkaar moeten wennen. Het is momenteel zeer warm , zo warm zelfs dat je zonder windjacket kunt lopen.
Over ons vertrek is nog niets bekend, maar volgens geruchten zullen we eind volgende week worden ingescheept.
Met Nederland hebben we geen enkel contact aangezien er geen post door komt. Onbegrijpelijk dat men dit voor zo’n handjevol mensen niet waterdicht kan regelen, of vindt men ons niet belangrijk genoeg?
Het belangrijkste nieuws van de achterliggende dagen is in feite het bezoek van een verbindingsofficier uit Nederland. Hij heeft onze benoemingsvoorstellen meegenomen naar de Staf in Apeldoorn, waar nu verder wordt beslist.
Het Engels geld is voor de meeste jongens een levensgroot probleem. Je hoort de leukste opmerkingen zoals:" 0h, ik heb betaald met een ding iets groter dan een kwartje" of "Ik heb betaald met een grote gulden". Waarom moeten de Engelsen ook een afwijkend muntenstelsel hebben?
Ik trek veel op met Sjaak Fick. Sjaak heb ik leren kennen tijdens de Duitse bezetting, toen ik in de illegaliteit met hem samenwerkte. Hij is een oerdegelijke, betrouwbare kameraad, waarop je onder alle omstandigheden kunt rekenen en van wie ik in de toekomst nog veel steun verwacht.
Ondertussen gaan we onverstoord door met het completeren van onze tropenuitrusting, waarbij het opvalt dat er zoveel incourante maten bij de uniformen zijn. Het lijkt wel of de Engelsen ons alleen maar grote maten hebben toebedeeld.
De geruchten over ons vertrek blijken op waarheid te berusten, want a.s. Zaterdag worden we ingescheept op de Nieuw Amsterdam. De plunjezakken zijn reeds ingeleverd. Nog een ander goed bericht:  Acht man, waaronder Ferd Nota, Sjaak Fick en ik, zijn met ingang van 25 september 1945 benoemd tot reserve 2e luitenant. Een mooie verrassing bij ons vertrek. Ferd, Sjaak en ik hebben de benoeming ongetwijfeld te danken aan Hoogenraad, waarvoor wij hem zeer erkentelijk zijn.  

 

Op weg naar Nederlands - Indië  

 
Zaterdag 27 oktober 1945 stonden we klaar om naar Southampton te vertrekken.
Om vijf uur werd het vertreksein gegeven en marcheerden wij met volle bepakking naar de trein die ons naar de haven bracht waar we ingescheept werden op de Nieuw Amsterdam, Nederlands mooiste passagiersschip, maar tijdens de oorlog omgebouwd tot een troepentransportschip. Het bleek behelpen want wij, tien officieren, werden ondergebracht in één hut. Veel te klein, maar we konden ons redden. Erger was het gesteld met de jongens, want die moesten zich tevreden stellen met een omgebouwde danszaal met veel te weinig ruimte en frisse lucht.
In de vroege ochtend van 28 oktober vertrokken wij uit Southampton.
Naast ons bevonden zich ook 1—8 RI., één bataljon Jagers en een groot contigent N.I.C.A.— officieren en meisjes aan boord. Het eten was uitstekend, idem dito de verzorging. Het weer liet echter veel te wensen over en we brachten onze tijd veelvuldig in de lounge door. We maakte kennis met de Golf van Biskaje en ik kreeg last van zeeziekte met de bekende symptomen; raar gevoel in de maag, braakneigingen en geen eetlust. Gelukkig werd onder de Spaanse kust de zee wat minder ruw. Ondanks dat lag de Nieuw Amsterdam niet rustig op de golven en helde naar voren en naar achteren, naar stuurboord en naar bakboord.
Dinsdagmorgen 30 oktober kregen we land in zicht. Het bleken enkele kleine eilandjes in de Golf van Cadiz te zijn. Tegen de avond doemde Gibraltar op, terwijl ook de Afrikaanse kust zichtbaar werd. Het was echter te donker om alles goed te kunnen onderscheiden. We bleven onder de Afrikaanse kust varen en passeerden op Allerheiligen de eilandjes Malta en Panthelaria.
Op 3 november liepen we in de namiddag Port—Said binnen en kwamen de eerste palmen in zicht, prachtig afstekend tegen de geelgekleurde gebouwen en huizen. Daar kwam de loods aan boord, een Nederlander en een neef van onze aalmoezenier. Er lagen vele schepen in de haven, waaronder een groot Amerikaans troepentransportschip, waarachter wij voor anker gingen. We werden onmiddellijk omzwermd door duikertjes, kleine bruine kereltjes die muntstukken opdoken die wij overboord gooiden. Even later verschenen de parlevinkers bij wie je alles en nog wat kon kopen, maar voor wie  je ook moest uitkijken aangezien bekend was dat ze er niet tegenop zagen om via  de patrijspoorten de hutten binnen te dringen en daar alles weg te halen wat van hun gading was. Gelukkig waren we tijdig gewaarschuwd en hadden onze patrijspoorten gesloten. Van Port Said zagen we niet veel. Wel viel het standbeeld van Ferdinand de Lesseps op,  het gebouw van de Suez—maatschappij en, niet te vergeten, dat van onze K.L.M.
Zondagmorgen werd het anker gelicht en begonnen we aan een reis van een kleine 170 kilometer door het Suezkanaal, dat maar 80 tot 125 meter breed bleek te zijn.  Het kanaal - normaliter elf meter diep -  was zwaar verwaarloosd en de kapitein voer zeer voorzichtig om vastlopen van de Nieuw Amsterdam te voorkomen. We bereikten dan ook pas laat op de avond Suez en het was reeds te donker om iets van de stad te kunnen onderscheiden.
We vervolgden onze reis en maakten kennis met de Rode Zee, die veel breder en langer bleek te zijn dan een oppervlakkige beschouwing van de landkaart had doen vermoeden Voor ons was dat, benevens de kleur van het water en het zoutgehalte, weinig interessant en de op dit traject beruchte verveling sloeg toe Ik zag vaak jongens die zich afzonderden en doelloos over de reling hingen, waarbij het echter prettig was te constateren dat wat oudere jongens en kaderleden zich over hen ontfermden.
Piters en ik legden ontelbare rondjes af en praatten veel met elkaar. Of beter gezegd; hij praatte veel met mij en het werd mij duidelijk dat hij met problemen kampte die ik echter niet goed kon lokaliseren.
Inmiddels waren we, via de Golf van Aden, onderweg naar Ceylon. Het werd steeds warmer en we zochten verfrissing door zoutwaterbaden te nemen, bij gebrek aan zoetwater.  
Op weg naar Indië mocht natuurlijk een lezing over malaria niet ontbreken. Een taak voor een van onze doktoren, die evenals zijn collega blijkbaar in Indië geboren was en van wie je derhalve mocht aannemen dat hij wist waarover hij sprak. Hij vond malaria een vrij onschuldige ziekte, mits goed bestreden. Consequent kinine slikken was geboden en 's avonds met opgerolde mouwen en korte broeken rondlopen was uit de boze. Malaria kon, volgens hem, gepaard gaan met hoge koortsen en een algeheel onwel voelen. De ziekteduur kon je, bij een normaal verloop, op een week schatten.
Wij hadden ondertussen de Indische oceaan bereikt en aan boord probeerde men de verveling te verdrijven met films, concerten en dansavondjes, soms lukte dat, soms niet. Het was n.l. ontzettend moeilijk om de jongens bezig te houden en te voorkomen dat zij de gehele dag lusteloos aan dek lagen. We probeerden dat ook wat op te vangen met het geven van theorie over b.v. de krijgstucht, maar daar kon je ook niet lang mee bezig blijven. Belangrijk was het, dat dacht ik althans, dat je je regelmatig bij je mensen liet zien en liet blijken dat je ook in de privé-sfeer in hen geïnteresseerd was. Daardoor leerde je elkaar beter kennen en begrijpen. Het viel me wel op dat onze aalmoezenier zich zo weinig tussen de jongens bewoog. Onze dominee was op dit punt veel actiever.De berichten over Indië waren de laatste dagen wat minder dreigend, maar de toestand bleef onzeker en de grote vraag was; wat ging Soekarno doen?
13 november liepen we binnen in Trincomalie, gelegen aan de noordoost kust van Ceylon, bunkerden daar en zetten we militairen aan land. De haven bleek een marinehaven te zijn in gebruik bij de Engelsen. Er was blijkbaar ook gevochten, want er lagen gezonken en beschadigde schepen.  
Er kwam een Nederlandse generaal aan boord en er vond een bespreking plaats, waarschijnlijk over onze bestemming. De geruchten deden n.l. de ronde dat de Engelsen ons niet in Indië wilden toelaten, maar voorlopig "parkeren" op Malakka. Dit laatste was - gezien ook onze beperkte militaire opleiding -  niet zo gek. We kregen dan immers de gelegenheid te acclimatiseren en te oefenen. Bovendien konden we ondertussen de gemoederen in Indië wat tot bedaren laten komen. Het tegendeel kon natuurlijk ook het geval zijn en dan werkte de tijd ten nadele van ons.  
Vrijdag 16 november kwamen de kusten van Sumatra en Malakka in zicht en even later gingen we voor anker in de baai van Penang, een eilandje voor de westkust van Malakka. Hier gingen de Jagers en 1—8 R.I. van boord en liet kolonel de Ronde, commandant van de aan boord aanwezige troepen, tijdens een toespraak overduidelijk blijken dat er inzake onze bestemming inderdaad problemen waren gerezen tussen de Nederlandse en de Engelse regering. Hij zei o.a. "Indien blijkt dat de ontschepingen op Malakka de Nederlandse belangen schaden, dan zal ik onmiddellijk de hoogste militaire instanties  inschakelen". Stoere woorden waarbij wel de vraag rees of de "hoogste militaire instanties" enige invloed konden uitoefenen op de Engelsen die het hier voor het zeggen hadden.Desondanks was het goed dat kolonel de Ronde een standpunt durfde te bepalen. Wij vertrokken weer uit Penang richting Port Swettenham, waar we van boord zouden gaan.  

 

Malakka  

Het is woensdag 21 november 1945 en we staan op het punt de Nieuw Amsterdam te verlaten. Wij bevinden ons in Port Swettenham en zullen direct met landingsvaartuigen aan land worden gezet De debarcatie verloopt zeer vlot en we stappen in de gereedstaande trucks die ons naar Morib-Beach zullen brengen. De indrukken die we onderweg naar ons kamp opdoen zijn moeilijk te beschrijven. Vriendelijke, donkere mensen, gekleed in veelkleurige kledij zwaaien naar ons en we zien tempels, palmen, bloemen en Chinese wijken, schilderachtig maar vies en met allerlei niet nader te definiëren luchtjes en geurtjes; kortom we zijn in een andere wereld beland. En dan ineens ons kamp; een moerasachtig aandoend terrein met houten bungalows en hier en daar een stenen gebouw, maar op 50 meter ook een prachtig strand, want ons kamp ligt aan de Straat van Malakka.
Aan de andere kant van de weg, die langs ons kamp loopt, blijkt zich een rubberplantage te bevinden en iets verderop een kampong. Wij, de jonge officieren en adjudant Deurlo, krijgen op enige afstand van de barakken een Chinese villa toegewezen met een prachtige gevel, fraai bewerkte balustrade etc., van binnen valt het echter bar tegen. We hebben n.l. geen licht en water en er is geen meubilair. Wij vernemen dat het kamp oorspronkelijk een missiepost is geweest en later een Japans concentratiekamp. Vooral de afwatering blijkt ernstig verwaarloosd en moet nodig in orde gebracht worden. Bendik is onmiddellijk overgegaan tot het mobiliseren van "zwartjes", kleine goedlachse jongetjes met parelwitte tanden. Ze zwerven door het kamp en trachten zich op een of andere manier verdienstelijk te maken. Ook de Chinezen uit de omliggende kampongs hebben ons gauw ontdekt en bieden bananen aan in ruil voor sigaretten.
We zijn nu een week in Morib-Beach en hebben o.a. ontdekt dat de nachten hier mooi en romantisch zijn met het strand en de palmen en vol van geluiden van insecten en kikkers, die samen een koor vormen en daarbij worden bijgelicht door vuurvliegjes. We hebben zelfs apen die ons gelukkig geen overlast bezorgen.
We krijgen waarschijnlijk ook de eerste uitvaller. Bij Janus Verweijmeren is n.l. een oorperforatie geconstateerd. Zo’n aandoening kun je in de tropen absoluut niet hebben en het ziet er naar uit dat hij afgekeurd zal worden en naar Nederland moet terugkeren.
Vandaag, 2 december, is het een belangrijke dag voor een van de jongens van mijn peloton. Hij wordt gedoopt. De dopeling heet Emiel en is een Jood. Zijn ouders zijn in een concentratiekamp omgekomen.  Emiel heeft het overleefd, doch draagt als uiterlijk kenteken het beruchte merkteken op zijn linkerarm. In het concentratiekamp interesseerde hij zich reeds voor het katholicisme. Na de bevrijding heeft hij zich als oorlogsvrijwilliger gemeld en onder leiding van een aalmoezenier verder in het katholieke geloof verdiept. Tijdens de doopplechtigheid fungeerde zijn vriend als peter en ik, bij gebrek aan beter, als meter. ‘s Avonds hebben de jongens van mijn peloton, ook de niet—katholieken, de barak versierd en er een gezellige avond van gemaakt. Een merkwaardig verschijnsel dat iedereen, ongeacht rang, stand of geloof, blij is, omdat een ander blij is.
Bendik heeft het momenteel zeer moeilijk want zijn vrouw heeft hem geschreven dat ze de achterliggende drie maanden slechts f. 186,--heeft ontvangen en dat voor een vrouw met drie kinderen. Het is toch ergerlijke zaak dat men in Nederland voor een paar duizend man niet eens de delegaties kan regelen. Wat men blijkbaar ook niet kan regelen is de post Die komt slecht of helemaal niet door. Een zeer frustrerende zaak omdat we ook verstoken zijn van krantenberichten.
Het zit ons ook erg hoog dat we vertrokken zijn met bestemming Nederlands—Indië, maar voorlopig niet verder zijn gekomen dan Malakka. Gelukkig is de onderlinge verstandhouding, vooral tussen de jonge officieren en de soldaten, uitstekend. Mogelijk word je door al die problemen naar elkaar toe gedreven.
We maken momenteel ook kennis met de west—moesson. Zoiets kun je je niet voorstellen en moet je meegemaakt hebben. Ongelooflijk wat een regen en storm. We hebben zelfs onze klamboes met onze koffers moeten verankeren om wegwaaien te voorkomen. Overigens blijft de temperatuur tijdens zo’n bui zeer behaaglijk en is het daarom prettig zwemmen in zee.
Er beginnen toch enkele berichten binnen te druppelen over Indië. De situatie zou zich in gunstige zin ontwikkelen en Soekarno zou eieren voor zijn geld willen kiezen. Als ik dat hier zo aanzie, vraag ik me trouwens af waarom Soekarno zo hoognodig zelfbestuur wil hebben. Men heeft immers toch geen capabele lui en binnen een paar jaar zou de zaak economisch in elkaar klappen, aannemende dat het ontwikkelingspeil van Indië op het zelfde niveau ligt als dat van Malakka.
In Nederland komt de lastercampagne blijkbaar ook op gang. Twee jongens van onze compagnie hebben van hun vrouwen minder prettige brieven ontvangen. Ze schrijven dat ze gehoord hebben dat hun mannen zich met andere vrouwen hebben afgegeven. Ik heb de afdoening maar overgenomen en geschreven dat het gedrag van hun mannen tijdens hun verblijf in het buitenland, niets te wensen heeft overgelaten en zij meer vertrouwen moeten hebben.  
4 december; een droevige dag want we hebben een slachtoffer gemaakt. Een van onze posten heeft vannacht n.l. een kampongbewoner doodgeschoten, na hem herhaalde malen gesommeerd te hebben halt te houden. Onze post treft officieel geen blaam, aangezien hij overeenkomstig de instructies heeft gehandeld en wij bovendien gewaarschuwd zijn voor communistische infiltraties. Het blijft echter een te betreuren zaak. Gelukkig hebben we tegenover de kampongbewoners weer iets goed kunnen maken in de vorm van het verlenen van medische hulp aan een jongetje wiens arm aan het wegrotten was. De ouders hebben dat blijkbaar onvoldoende onderkend en het jongetje maar laten lopen.
 
Het is nu 5 december.  
De avond valt en ik zit op mijn geliefkoosd plekje n.l. in een hoek van mijn kamertje van waaruit ik uitzicht op zee heb.
De zon verdrinkt in het water en de golven rollen over het strand. Enkele jongens zijn nog aan het zwemmen, anderen zijn palmbladeren aan het verzamelen voor de sinterklaasviering in een van de barakken. De wind gaat slapen en de palmbladeren kijken roerloos toe, terwijl ze luisteren naar het concert dat door vele insecten is ingezet.
Een vredige avond in een ver vreemd land, waaraan sinterklaas toch een Nederlands tintje zal geven. Dat bleek later op de avond. Iedereen had zich uitgesloofd om het gezellig te maken. Zo zie je dat je met weinig middelen en veel goede wil het voor iedereen aangenaam kunt maken en een uitstekende sfeer kunt scheppen.
Toch zijn er jongens die met zichzelf geen raad weten. Een er van heb ik bij me gehad. Een jongen afkomstig uit een ander peloton, die zich vanmiddag van het leven heeft willen beroven.  Ik heb hem zijn levensverhaal laten vertellen. Als het waar is één tragedie. Het begon al bij zijn geboorte;  hij was een ongewenst kind omdat zijn ouders persé een meisje wilden. Hij werd slecht gevoed en verzorgd. Na enige jaren gingen zijn ouders uit elkaar en werd hij naar een internaat in België gestuurd, waar hij het echter niet kon uithouden en naar Nederland terugkeerde.
Tijdens de bezetting kwam hij in Essen (Dld) terecht, doch zag kans te ontsnappen en zich weer naar huis te begeven. Daar vernam hij dat zijn broer en vader werden vermist. Zijn moeder wilde echter nog steeds niets van hem weten en hij zocht zijn toevlucht bij een tante in Den Haag. Deze was echter geëvacueerd naar Arnhem, waar zij tijdens de luchtlandingen werd doodgeschoten. Na de oorlog meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger. Zijn moeder was deze week zo vriendelijk geweest hem een brief te schrijven waarin zij hem in overweging gaf nooit meer naar Nederland terug te keren. Wat moet je met dit onsamenhangend verhaal ? Wat is waar en wat aan zijn fantasie ontsproten?
Ik dacht niet dat het interessant was om dat uit te zoeken;  hier moest hulp verleend worden.
Ik heb onze dokter en aalmoezenier ingeschakeld en enkele oudere jongens van mijn peloton gevraagd hem in hun kring op te nemen en te beschermen. Verder heb ik hem aan het tekenen gezet, omdat ik ontdekte dat hij niet onverdienstelijk kon tekenen.
Het zinvol doorbrengen van de zondag is voor een hoop jongens een probleem en ze hebben zich bij mij beklaagd over het feit dat ze het kamp niet mogen verlaten. Wij hebben deze maatregel echter getroffen om te voorkomen dat de jongens de omliggende kampongs "induiken".
De enige fatsoenlijke plaats ligt 30 kilometer van Morib-Beach en dat is te ver. Bovendien hebben wij daarvoor geen vervoer ter beschikking, weshalve zij zouden moeten gaan liften Wij menen dan ook dat, als je alles op een rijtje zet, het beter is bij elkaar te blijven en zich in het kamp te ontspannen. Dat komt ook de onderlinge band ten goede.
Overigens blijven ook wij, de officieren, ‘s zondags in het kamp en vermaken ons o.a. op het prachtige strand.
We hebben vernomen dat er in Singapore een conferentie is geweest en de situatie in Indië onder de loupe is genomen. Er zou besloten zijn:
a)       Door inzetten van meer troepen de opstand in Java onmiddellijk en afdoende de kop in te drukken.
b)       Nederlandse troepen toe te laten in "gezuiverde gebieden" en te belasten met politiediensten.
Nu een paar dagen later, horen we weer dat we zeker niet naar Java zullen gaan.
Er wordt blijkbaar een of ander vuil spelletje gespeeld door de Engelsen en als dat zo moet., kunnen we beter naar Nederland terugkeren aangezien we ons daar ongetwijfeld verdienstelijker kunnen maken dan op Malakka.
De stemming onder de jongens is wisselvallig en wordt mede beïnvloed door de vele klachten van vrouwen die een te lage financiële uitkering ontvangen. Vooral de kolenmijnen schijnen onvoldoende medewerking te verlenen bij het verstrekken van gegevens waarop de uitkeringen moeten worden gebaseerd. Onbegrijpelijk!!!
Het schijnt ook dat onze brieven gecensureerd worden. Waar is dat goed voor ? Bovendien heb ik er bezwaar tegen dat een of ander snoeshaan mijn privepost doorsnuffelt. Loopt de post daarom zo slecht of is zo’n gerucht over censuur een poging om ons moreel te ondergraven ? Voor ons is het uiterst moeilijk om uit te maken wat nu juist of verzonnen is. Overeind blijft in ieder geval dat de postverbinding alles te wensen overlaat en dat mede daardoor het moreel van de troepen overzee geschaad wordt.
Onze aalmoezenier, die in de omgang toch wel meevalt,, komt regelmatig bij mijn peloton. Zo dikwijls zelfs, dat het spottend "het rozenkranspeloton" wordt genoemd. (Je kunt je een slechtere naam voorstellen).
Hij heeft mij verteld ideeën uit te werken om de a.s. kerstdagen een speciaal tintje te geven. In Klang bestaat er n.l. een Franse missiepost en men heeft een vrij grote kerk. Als de aalmoezenier de zaak rond krijgt kan iedereen die vrij van dienst is naar Klang en daar de mis bijwonen. Daarna zullen we ontvangen worden door Franse nonnetjes.
Een uitstekend plan dat, indien enigszins mogelijk, uitgevoerd dient te worden aangezien het ongetwijfeld aan het doel zal beantwoorden; het proeven van een kerstsfeer in een daartoe geëigende omgeving.
 
17 december:  
wij, de jonge officieren, hebben een weekend mogen doorbrengen in Kuala Lumpur, een vrij grote en belangrijke stad met prachtige oosterse gebouwen. Wij logeerden in het hotel Majestic, gelegen op een heuvel van waaruit we een mooi uitzicht op de stad hadden. Het hotel viel tegen en we hadden met tien man slechts de beschikking over twee kamers
Ik heb zoveel indrukken opgedaan dat ik niet tot een afgerond beeld van Kuala Lumpur kon komen, daarvoor was trouwens het weekend ook veel te kort. Wel is mij o.a. het grote aantal winkels, natuurlijk gedreven door Chinezen, bijgebleven en niet te vergeten, het ritje in een riksja, vroeger een tweewielig karretje, nu een fiets met zijspan.
‘s Zondagsavonds moesten we om acht uur weer daar staan voor vertrek naar Morib-­Beach.
De terugtocht verliep alles behalve snel, want we kregen autopech en moesten vier uur wachten voor we verder konden. Midden in de nacht kwamen we in ons kampement aan en om zes uur was het weer reveille. Gelukkig stond de compagnie op wacht, zodoende had ik een rustige dag.
In de loop van de dag hebben we bezoek gehad van generaal—majoor Ilgen en kolonel de Waal van het K.N.I.L.
Tijdens de gezamenlijke lunch lichtte de generaal de situatie in Indië toe en liet duidelijk blijken dat wij er voorlopig niet aan moeten denken naar Java te kunnen vertrekken en dat het moment van vertrek niet door Nederland maar door Engeland wordt bepaald. De Engelsen doen wel pogingen de orde te herstellen en ze hebben o.a. een bataljon parachutisten ingezet, terwijl in Batavia ook Gurkha’s zijn aangekomen. Voorts zijn er onderdelen van de RAF. en de marine. Uit dit alles moet geconcludeerd worden dat het zeer onrustig is op Java en het georganiseerd verzet van lieverlee en onder leiding van Soekarno, op gang komt.
De Nederlandse regering zit ook niet stil en heeft op 15 december jl. een verklaring uitgegeven waarin nogmaals de wens wordt uitgesproken samen te werken met die Indonesiërs, die bereid zijn gezamenlijk een politiek te voeren waar tegemoet gekomen kan worden aan "gerechtvaardigde" Indonesische verlangens.
Van onze kant bestaat dus de wil en bereidheid om te praten. Ik vrees echter dat er met Soekarno en zijn achterban niet te praten valt Deze man is onbetrouwbaar, dat heeft hij bewezen tijdens de bezetting in Indië door de Jappen waarmee hij gecollaboreerd heeft. Met Sjahrir zou het anders liggen, maar die heeft weinig macht.
De onrust schijnt zich vooral op Java te concentreren. Op Sumatra zouden de onlusten aan het afnemen zijn, terwijl — volgens Dickson Brown van de News Chronicle - de bewoners van Celebes en Ambon reikhalzend naar onze komst uitzien. Brown kan het weten want die heeft een tocht van 5000 mijl gemaakt door de eilanden Celebes, De Halmaheras en Ambon. In een artikel schrijft hij o.a. het volgende: " Er heerst een groeiende ontstemming tegen de Engelsen aan wie wordt verweten dat zij de toestand op Java met veel te zachte hand aanpakken en aan de Nederlanders weigeren actief aan de strijd deel te nemen. Zij realiseren zich  echter veel te weinig, hoe delicaat de toestand op Java is en zien niet in, dat hun deelname de gehele streek in oproer zou kunnen brengen. Blanken, die in handen van Indonesiërs vallen worden meedogenloos vermoord, terwijl duizenden geïnterneerden in de kampen in het achterland worden bedreigd".
Commentaar overbodig!!!
 
Maandag 24 december; 
We zijn in Klang als gasten van een Franse missionaris. "We", dat zijn enkele mensen van ons bataljon, die gedoopt zullen worden en hun peters en meter. Voor het eerst sedert weken drinken we puur, helder, koud water. In Morib—Beach kennen we alleen water in gekookte vorm en in Nederland kan men zich ongetwijfeld niet voorstellen dat koud water in december een genotmiddel kan zijn.
Na ons verfrist te hebben zijn we naar de kerk gegaan. Eén van de dopelingen was de luitenant van Duren en hij trad als eerste naar voren en verklaarde met zijn hand op de bijbel dat hij gedoopt wilde worden en trouw zou zijn aan de kerk. Daarna volgden de anderen en na afloop zijn we wat gaan eten in de enige voor militairen toegestane gelegenheid in Klang, de anderen waren n.l. "out of  bounds to all troops".
Daarna zijn we nog even gaan slapen en zijn naar de nachtmis gegaan. De kerk was van buiten prachtig verlicht en honderden mensen wachtten buiten op het begin van de mis. De kerk liep propvol en wij kwamen, na veel wringen en duwen, op het koor terecht van waaruit we een mooi overzicht hadden. De priester, de mensen in hun veelkleurige kledij, moeders met huilende baby's, mannen die lagen te bidden, kinderen die sliepen. Langzaam kreeg de kerstsfeer ook ons te pakken, zeker toen het koor zich liet horen en een violiste het "Stille nacht, heilige nacht" speelde. Er trokken gordijntjes voor onze ogen en het licht kreeg grillige lijntjes. In gedachten waren we terug in Nederland, in de sneeuw, in de kou, maar bij elkaar. Praktisch iedereen ging ter communie, de moeders met hun baby's op de arm, ingetogen en devoot Sommige hadden mijlen ver moeten lopen, anderen hadden het geluk gehad met legerauto’s te mogen meerijden, maar ze waren er allemaal en helemaal.
Rond een uur of tien arriveerden de jongens van ons bataljon die vrij van dienst hadden en in Klang kerstmis wilden vieren.
Een inlandse pater deed de mis, een koortje van ons bataljon o.l.v. kapitein Veldman zong en al gauw hoorde je snikken en neuzen snuiten. Het lijkt kinderlijk, maar je moet erbij geweest zijn om het te kunnen begrijpen en op de juiste wijze te kunnen beoordelen
Na de middag keerden we terug naar Morib—Beach, een mooie ervaring rijker.
Vandaag staat onze compagnie op wacht, voor mij een goede aanleiding, zeker op het eind van het jaar, alles nog eens op een rijtje te zetten. Als ik dat doe dan reist onmiddellijk de vraag of we onze tijd hier op Malakka niet zitten te verknoeien.
Ik begrijp n.l. niet waarom de 27 bataljons die we inmiddels sterk zijn, niet worden ingezet om de opstand op Java te onderdrukken. Welke rol speelt Engeland nu precies??
Er circuleren weer geruchten dan ons bataljon naar elders wordt overgeplaatst. Of het alleen maar geruchten zijn kan ik niet beoordelen, vast staat wel dat de pelotonscommandanten een maand naar een Engels trainingskamp gaan teneinde daar een aanvullende opleiding te volgen. Nog een ander gerucht doet de ronde en wel dat we eind 1946 zullen worden afgelost en er zelfs al een wachtgeldregeling is ontworpen om die jongens op te vangen die, onverhoopt, na demobilisatie niet direct in het arbeidsproces kunnen worden opgenomen.
Het is inmiddels 31 december 1945 en we zitten met ons twaalven bij elkaar en proberen de avond gezellig door te komen. Dat lukt niet al te best omdat onze toekomst zo onzeker is en een oudejaarsavond in de tropen niets voorstelt. De sfeer is hier anders, of beter gezegd ; er is helemaal geen sfeer. Het is een avond als alle andere, dat neemt niet weg dat we met de beste voornemens 1946 ingaan.
We zijn weer een paar dagen verder en ik ben naar Kuala Lumpur geweest om mijn tropenuitrusting te completeren. De officiersshop bleek echter niet al te goed gesorteerd en ik vond niet wat ik zocht. Wie ik niet zocht maar wel vond, was pater Piet, die toevallig ook in Kuala Lumpur moest zijn. Hij zag er jong en sportief uit en samen hebben we een bezoek gebracht aan Janus Verweijmeren die in het hospitaal lag en op repatriëring wachtte.
Het is nu definitief dat de pelotonscommandanten op 14 januari a.s. op cursus gaan. Gelukkig mogen de oppassers mee. Zo’n cursus is nuttig en prettig. Het komt je opleiding ten goede en het verbreekt de sleur.
Nog een ander bericht; Er schijnen inmiddels toch Nederlandse troepen op Java geland te zijn. Het blijft echter een open vraag of wij het moeten winnen met vechten of praten.
Praten lijkt mij momenteel de meest aangewezen weg. Dr. van Mook moet maar eens gaan onderhandelen met Soekarno, alhoewel diens naam op het ogenblik veel minder wordt vernoemd dan die van Sjahrir. Wat is de politiek toch ondoorzichtig
De Atjeeërs zijn inmiddels ook tot actie overgegaan en hebben een groep Jappen overvallen die zich aan het concentreren waren. Zij schijnen veel wapens buit gemaakt te hebben, die ze waarschijnlijk tegen ons gaan gebruiken, mocht het tot een krachtmeting komen.
Bij de staf van het K.N.I.L is het ook aan het rommelen, wat wijst op onzekerheid over de te varen koers. Begrijpelijk want zo’n legertop heeft het ontzettend moeilijk. Indië is immers geen militair maar een politiek probleem en de militairen worden alleen gebruikt om het politiek doel te realiseren. Overigens zijn de K.N.I.L officieren, ingedeeld bij ons bataljon, van mening dat er jong, fris bloed in de legerleiding moet komen. Zij noemen zelfs al een naam voor de functie van Chef—Staf, n.l.. die van Spoor, een officier die nog in Australië zou verblijven.
Onderwijl gaat het leven gewoon verder en wij, de pelotonscommandanten, zijn onze spulletjes aan het inpakken in verband met het vertrek naar het trainingskamp.
 
Op 12 januari was het zover. Om negen uur zijn we in een truck gestapt die ons naar Klang bracht. Daar namen we de trein tot Kuala Lumpur, waar we rond drie uur aankwamen. Aangezien we geen directe aansluiting hadden richting Singapore hadden we een mooie gelegenheid de stad nog eens te bekijken en wat gebouwen te bewonderen. Het station alleen al bleek een bezienswaardigheid door zijn prachtige oosterse bouw en inrichting.
We ontdekten ook dat de Engelsen blijkbaar zeer bang waren voor geslachtsziekte, want overal zagen we affiches met daarop een jonge vrouw, turend over de zee terwijl in de verte een schip naderde en met als ondertiteling  "She is waiting for you at home .. . Don’t chance V. D". Even verder lagen in de winkeltjes echter Engelse geïllustreerde tijdschriften met geheel of gedeeltelijk ontklede "dames". Theorie en praktijk lagen letterlijk en figuurlijk ook hier dicht bij elkaar en ik vreesde dat de bladen meer aandacht kregen dan de affiches.
Pas ‘s avonds om acht uur reed onze trein voor en konden we beslag leggen op een geriefelijke coupé waarin we spoedig in slaap vielen. Tegen de morgen werden we wakker en zagen uitgestrekte rijstvelden gelegen in een prachtige natuur. De zon kwam op en zette de beboste bergen in  schitterende kleuren. Malakka is prachtig.
Om half acht stopte de trein in Johore Barhu, onze eindbestemming. De truck die ons zou komen ophalen was er nog niet en ik keek, gezeten op de trappen van het station, wat rond. Mijn oog viel op een kloek vierkant gebouw, dat een ziekenhuis bleek te zijn, terwijl zich op een heuvel een karakteristiek gebouw aftekende, een regeringsgebouw.
Feitelijk zou je die markante, kapitale gebouwen moeten vastleggen in contrast met de vele stinkende krotten die je hier ook aantreft. Rond de middag kwamen we bij een Schots regiment aan, waar we een maand in training zouden gaan. Er bleken nog meer Nederlanders aan de cursus deel te nemen o.a. van de Stoottroepen.
In de loop van de middag hebben we ons gemeld bij de regimentscommandant, een overste die ons aan zijn staf voorstelde. Ik maakte kennis met een kapitein van ... één en twintig jaar en een 1e luitenant van .... negentien.
De Schotten komen prettig en joviaal over en zijn met hun buitenmodel uniformen met een lange geruite broek, veel beter gekleed dan wij. Wat dat betreft zijn wij nergens!
De cursus die we moeten volgen behoeft geen al te grote problemen op te leveren, aangezien wij die stof al eens hebben doorgenomen. Het accent zal vooral op de wapens gelegd worden, daarnaast gaan we de “bush—bush" in om wat terreinvaardigheid op te doen.
Er lopen hier opvallend veel jappen rond die ingeschakeld zijn voor allerlei corveetjes. Zij genieten zo te zien een zeer grote bewegingsvrijheid. Dat schijnt mogelijk te zijn omdat die kerels dermate gedisciplineerd zijn dat ze geen pogingen zullen en willen doen om te ontsnappen. Zij stellen zich op het standpunt dat zij de oorlog verloren hebben en zich derhalve volledig dienen te onderwerpen aan de overwinnaars. Zo kan het voorkomen dat een Japanse compagnie zich van het ene Engelse kamp naar het andere begeeft, zonder enige bewaking
We ontdekken in het kamp nog meer Nederlanders n.l. van 5 en 3 R I., die in Penang gelegerd zijn.
Ondertussen gaat het met onze training steeds beter en we hebben de Schotse instructeurs zelfs al zover dat ze in het Nederlands commando’s kunnen geven, wat erop wijst dat de onderlinge verstandhouding uitstekend is. Toch worden we afgeknepen en zeven uur per dag trainen in deze drukkende warmte, gaat niet in je" koude " kleren zitten. Overigens hebben de Schotten vandaag hun doedelzakken voor de dag gehaald om generaal Demsey, de vroegere commandant van het 2e Britse leger, dat o.a. in Limburg en Brabant heeft gevochten, te begroeten. 
De generaal kwam zeer sympathiek en gemoedelijk over en maakte ook met ons, de cursisten, een babbeltje. Hij bleek zich in West—Brabant en dan speciaal Breda nog goed te kunnen herinneren.
Na de middag vertrok hij weer waarbij het opviel dat hij werd begeleid door een grote escorte. Op Malakka is er blijkbaar ook sprake van een zekere onrust onder de bevolking, vandaar die uitgebreide veiligheidsmaatregelen.
Onze gastheren, het 1e bataljon van The Royal Scots, hebben tijdens de oorlog met de Jap een prachtige staat van dienst opgebouwd en zijn praktisch in geheel India en Burma ingezet. Ze zijn daar niet weinig trots op. Terecht. Bovendien moet je je onderdeel steeds en overal in ere houden.
Vanavond hadden onze Schotten een dansavond georganiseerd waarop ook wij waren uitgenodigd, evenals wat Nederlandse dames die in Singapore verblijven. Deze bleken niet zo jong meer te zijn en veelal in Indië geboren en getogen. De meeste hebben een ellendige tijd achter de rug omdat ze door de Jappen geïnterneerd waren. Bovendien hebben velen hun man verloren en wacht hun een onzekere toekomst.
De Schotten waren uitstekende gastheren en voerden zelfs enkele Schotse dansen uit, die mij deden denken aan onze klompendansen. Ondanks dat alles was de sfeer toch enigszins geforceerd, waardoor de avond niet die ontspanning bracht die ervan verwacht werd.
Onze training, vooral gericht op het hanteren van de lichte wapens, gaat onverstoord verder en het komt regelmatig voor dat ik als tolk moet optreden, aangezien er bij onze groep mensen zijn die helemaal geen Engels verstaan. Mijn Engels laat ook alles te wensen over maar ik kan de lessen vrij goed volgen en overbrengen op mijn medecursisten.
Ferd maakte tijdens een oefening bijna brokken en schoot een granaat 10 meter voor hem in de grond. Gelukkig hebben deze krengen alleen maar een voorwaartse uitwerking en bleef de schade beperkt tot een grote ontploffing De dagen verstrijken met veel trainen, ook avondoefeningen, een bioscoopje pikken, slapen, weer trainen enz., maar de tijd gaat door en we leren de wapens steeds beter te beheersen.
Het weer wordt echter slechter en soms regent het de gehele dag en wordt het kazerneterrein omgetoverd tot een grote modderpoel, maar ook dat went, misschien ook omdat de temperatuur goed blijft.
Onderwijl doen hier allerlei geruchten de ronde over de Nederlandse troepen. Zo zou ons bataljon verplaatst zijn naar Kuala Lumpur, zou een detachement van de Stoottroepen naar een van de kleine eilanden van Indië vertrekken en zouden onze tuchtstrijdkrachten naar Nederland terugkeren.
Wat ik van deze geruchten moet denken weet ik niet. Wat ik echter wel als vaststaand heb moeten aannemen is de dood van een van onze jongens, n.l. de soldaat de Weert. Hij werd met een doorgesneden keel in een van de kampongs in Morib—Beach aangetroffen. De juiste toedracht weet ik niet dat is het mij niet duidelijk wat hij in die kampong gezocht heeft. Een trieste dood van een ondoorgrondelijke jongen.
Op dit ogenblik is een Jap bezig mijn schoenen schoon te maken. Wat zijn dat toch ondoorgrondelijke mensen. 's Morgens om zeven uur hebben zij reveille, treden daarna aan en maken, op commando een diepe buiging naar de zon. Zij zijn zeer werkzaam, het lijken wel mieren. 
Ongetwijfeld zullen zij zich snel hersteld hebben van de vernietigende nederlaag die hen werd toegebracht.
  
10 februari; onze laatste dag in Johore—Barhu en dat moest gevierd worden. Ferd Nota went zelfs dronken, was zeer baldadig en zijn vocabulair bestond uiteindelijk alleen nog uit "proost". Uiteindelijk hebben we hem een koude douche laten nemen. Zijn stemming werd er echter niet minder om, integendeel want hij brak daarna, alsmaar lachend, zijn klamboe af. Hij verloor echter de ongelijke strijd met de Schotse whiskey en raakte uitgeteld, waarvan onze oppassers gebruikt maakten hem in zijn bed te deponeren, waar hij onder het zingen van het Wilhelmus in slaap viel.
Voorwaar een waardige afsluiting van de cursus.
Als we op de afgelopen weken terug zien dan moeten we vaststellen dat we zeer zinvol bezig zijn geweest. We hebben kennis gemaakt met allerlei wapens en ze ook leren hanteren, terwijl de veldoefeningen ons geleerd hebben hoe we ons dienen te gedragen in zeer moeilijk begaanbaar terrein. Vooral het ploeteren door de moerassen heeft op mij zeer veel indruk gemaakt en o.a. geleerd hoe essentieel het is je wapen droog te houden, ook al loop je tot aan je kin door het water en ben je oververmoeid.
 
11 februari;  
Na een zeer vermoeiende reis zijn we weer terug in Morib—Beach.
Ik ben nog even bij mijn peloton binnen gelopen en het deed mij goed te bemerken dat de jongens blij waren dat ik weer terug was. Met de meeste jongens gaat het goed, behalve met Roki Fijneman, die met een inzinking kampt en bovendien met rugklachten zijn bed moet houden en daardoor overdag veelal op zichzelf is aangewezen. Hier komt nog bij dat het uitzicht dat hij vanuit zijn bed geniet ook niet erg stimulerend is want daar staat een kruis bestemd voor het graf van de Weert, de soldaat die in een kampong werd vermoord. Beekers heeft het daar neergezet in afwachting van plaatsing op het kerkhof in Klang  Het zal duidelijk zijn dat ik het kruis een andere plaats heb gegeven en Roki moed heb ingesproken, waarbij ik het geluk had dat er bij de post ook een foto van zijn vrouw zat.
We zitten echter in het schuitje en zullen er iets van moeten maken, dit ook al in het belang van de jongens die, mede op ons advies en omdat wij dat ook deden, tekenden als oorlogsvrijwilligers. Mede in verband met deze omstandigheden ben ik misschien wat te mild voor de jongens, iets wat niet altijd op prijs wordt gesteld door andere officieren.
Ik denk dat je je mensen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Doe je dat dan vind je ongetwijfeld de juiste houding
Wij, de jonge officieren, zijn vandaag ontboden bij de bataljonscommandant en hij heeft ons in een lang betoog — hij is jurist — duidelijk proberen te maken wat nu precies de rechten en plichten van een officier waren. Met onze plichten hebben wij geen problemen, daar worden we iedere dag mee geconfronteerd.
Anders ligt het met onze rechten want die zijn soms ver te zoeken. Neem nu onze huidige legering;  zonder water, zonder licht en zonder een stoel om op te zitten. De bataljonscommandant die, evenals de oudere officieren comfortabel is ondergebracht, heeft daar kennelijk geen oog voor en ik vrees dat het hem ook niet interesseert.
We hebben vernomen dat de Stoottroepen op Banka zijn geland en de eersten doden te betreuren zijn. Wat er precies gebeurd is weten we niet, maar volgens geruchten zou men wat onvoorzichtig gemanoeuvreerd hebben.
Het moreel van het bataljon wordt er ook niet beter op en een zekere moedeloosheid heeft zijn intreden gedaan.
Begrijpelijk omdat wij niet worden ingezet voor het doel waarvoor we zijn aangeworven, n.l. het herstellen van orde en rust in Indië.
In plaats daarvan zitten we op Malakka wat te klungelen, waarbij men ons, de pelotons— commandanten, van de ene opleiding naar de andere stuurt en ondertussen de training van de pelotons verwaarloost.
Vandaag verjaart Sjaak, echter zonder gebak en drankjes, maar wel met een vies shirt van al dat geploeter door de modder onder een ondraaglijke warmte. Bovendien heb ik last van mijn knie, die ontstoken is en daardoor zeer pijnlijk.
Er komt een eind aan ons verblijf op Malakka.
Vandaag hebben we een lezing gehad over Sumatra en meer speciaal over Palembang en omgeving, een zeer belangrijk gebied o. a. vanwege de aanwezigheid van steenkool en olie. De bevolking zou vredelievend van aard zijn en voornamelijk geïnteresseerd in de handel. Er zijn momenteel wel wat problemen maar die zouden veroorzaakt worden door raddraaiers van elders. Gezien deze lezing krijg ik de indruk dat men overweegt ons bataljon op Sumatra in te zetten. Als dat niet zo is, is zo’n lezing immers wel aardig maar weinig zinvol.
Piters kan zijn draai nog steeds niet vinden. Hij is onrustig en soms onhebbelijk tegen de jongens van de compagnie. Wat hem allemaal parten speelt weet ik niet. Misschien mist hij juist dat wat hier absoluut noodzakelijk is n.l. leiderschap, flexibiliteit en creativiteit. Het valt op dat hij duidelijk de commandant van een andere compagnie, een man die met uitmunt in tact en omgangsvormen, tracht te imiteren. 
Het vervelende is dat Piters die rol helemaal niet kan spelen, gelukkig maar, hij moet gewoon zichzelf zijn.
Weinig tactvol is ook onze bataljonscommandant. Hij is onverschillig en soms zelfs onbeschoft in zijn optreden.
Er zijn dan ook spanningen tussen hem en Hoogenraad, die iedereen correct, beminnelijk en tactvol tegemoet treedt
Wij hebben echter wel wat anders aan ons hoofd dan de problematiek van onze leiding; wij zijn n.l. weer naar een trainingskamp vertrokken, zij het ditmaal niet zover van huis. Sjaak Fick, Kees Peters en ik, delen een tent, rommelig, veel te klein en ongemakkelijk
De mars naar dit kamp was ongelooflijk vermoeiend, midden op de dag en met volle bepakking. Water is er niet en dient aangevoerd te worden. Gelukkig zitten we dicht bij zee. Sjaak en ik hebben, voor we gingen slapen, nog lang liggen praten en zijn tot de conclusie gekomen dat als we opnieuw voor de keus gesteld zouden worden al of niet te "tekenen", we het beslist niet meer zouden doen.  
Vandaag 6 maart is het bericht binnen gekomen dat we nog deze week met onbekende bestemming zullen vertrekken.
Ineens is alle leed geleden en iedereen is weer fit en opgemonterd. Wij hebben de training onmiddellijk beëindigd en zijn naar onze pelotons teruggekeerd. Ook de jongens zijn opgetogen.
Het nieuwe en onbekende trekt en lokt.
 
Het is nu vrijdag en we staan klaar om in de trucks te stappen die ons naar Port Dickson brengen waar we ingescheept zullen worden op de" Sommelsdijk". leder neemt op zijn eigen wijze afscheid van Morib—Beach, een plaats waar we nooit meer zullen terugkeren.
Eén man laten we achter, n.l. soldaat de Weert, waarschijnlijk de enige Nederlander die op het kerkhof in Klang een laatste rustplaats heeft gevonden.
De reis verloopt vlot en we genieten van het vele landschapsschoon dat Malakka te bieden heeft. Rond half twee komen we in Port Dickson aan en verzamelen ons op het voetbalveld. Pas om drie uur ‘s nachts kunnen we de" Sommelsdijk" betreden. Het blijkt een vrachtschip te zijn met veel te weinig accommodatie. De jongens moeten dan ook aan dek slapen. De nacht is overigens al zover gevorderd dat ik besluit niet meer te gaan slapen, maar bij de jongens aan dek te blijven en naar het inladen van het materiaal te kijken.
We koersen richting noordoost, dat is richting Borneo en passeren de evenaar. De zon staat op een gegeven moment loodrecht boven ons en we zoeken de schaduw op.
In de loop van de dag wordt bekend dat onze bestemming Semarang is. Slapen doen we slecht en als je toch in slaap sukkelt en weer wakker wordt, duurt het even voor je weet waar je bent, een vreemde gewaarwording. Hoe zullen we in Semarang worden ontvangen ? Met artillerievuur of door een commissie van ontvangst?
Op Bali schijnt de landing van de Nederlandse troepen vlot te zijn verlopen. Onze troepen waren op alles voorbereid, maar werden als bevrijders begroet, overladen met geschenken en ‘s avonds kwamen zelfs Balinese danseresjes in actie.
Dinsdag 12 maart 1946 ; We liggen op de rede van Semarang en zien de bergtoppen lieverlee uit de nevel opdoemen. Prachtig gezicht, ook Semarang begint zich duidelijk af te tekenen.